Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
12-2208 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering na inschrijvingscontrole. Terugbetaling prestatiebeurs. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het besluit van 20 december 2011 vernietigd en de bezwaren van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bezwaren gericht waren tegen een schuldoverzicht dat een optelsom van eerder vastgestelde schulden bevat. Een dergelijk overzicht is geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/2208 WSF

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

12 april 2012, 12/49 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante]te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen de onderwijsinstelling te benaderen om te laten bezien of appellante aldaar correct was ingeschreven en of de inschrijving, als die niet correct zou blijken te zijn (geweest), met terugwerkende kracht zou kunnen worden gewijzigd.

Bij brieven van 2 februari 2013 heeft appellante de Raad geïnformeerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft studiefinanciering aangevraagd voor haar Basisberoepsopleiding aan het ROC[naam ROC]. Deze aanvraag is met ingang van 1 oktober 2007 gehonoreerd, in die zin dat aan appellante met ingang van die datum een basisbeurs is toegekend. Op het besluit van

7 april 2007 is als opleiding vermeld Basisberoepsopleiding, BOL NIVEAU 1 OF 2.

1.2. Bij besluiten van 5 juli 2008 heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat hij de inschrijving van appellante bij de onderwijsinstelling heeft gecontroleerd. Op het besluit is als opleiding vermeld Vakopleiding, BOL NIVEAU 3 OF 4. De aan appellante toegekende studiefinanciering over 2007 en 2008 is daarbij herzien, in die zin dat de aanvankelijk toegekende basisbeurs is omgezet in een basisbedrag prestatiebeurs.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat zij de aan haar uitbetaalde prestatiebeurs moet terugbetalen.

1.4. Het tegen het besluit van 6 oktober 2011 ingediende bezwaarschrift is door de Minister bij besluit van 20 december 2011 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat aan appellante een prestatiebeurs is toegekend op grond van artikel 4.6 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), welke beurs op grond van artikel 4.10 van de Wsf 2000 kan worden omgezet in een gift indien het afsluitend examen op niveau 3 of hoger met goed gevolg is afgelegd. Appellante heeft een afsluitend examen behaald op niveau 2, zodat de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het besluit van 20 december 2011 vernietigd en de bezwaren van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bezwaren gericht waren tegen een schuldoverzicht dat een optelsom van eerder vastgestelde schulden bevat. Een dergelijk overzicht is geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

3.

De Raad heeft in de in hoger beroep aangevoerde gronden geen aanleiding kunnen vinden tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. De Raad onderschrijft dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering en maakt deze tot de zijne. Zou appellante de toekenning van de prestatiebeurs hebben willen aanvechten, dan zou zij tegen de besluiten van 5 juli 2008 bezwaar hebben moeten maken. Ter voorlichting van appellante en (gedeeltelijk) in navolging van de Minister wijst de Raad met betrekking tot die besluiten op het volgende.

4.

De aan appellante toegekende studiefinanciering is bij besluiten van 5 juli 2008 herzien na een zogenoemde inschrijvingscontrole. Op het desbetreffende besluit is vermeld dat appellante, anders dan zij zelf aanvankelijk had opgegeven, een opleiding volgt op niveau 3. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. Ook uit de door appellante bij brief van 2 februari 2013 ingezonden verklaring van de school van 23 januari 2013 komt naar voren dat appellante op niveau 3 ingeschreven is geweest en dat zij ook onderwijs op dat niveau heeft gevolgd. Dat betekent ook dat aan haar terecht een prestatiebeurs is toegekend. Dat zij uiteindelijk een diploma heeft behaald op niveau 2 verandert daar niets in. Dat diploma geeft, zoals de Minister appellante al heeft meegedeeld in zijn besluit van 1 maart 2012, ook geen recht op omzetting van de prestatiebeurs in een gift. Als appellante - alsnog - een opleiding afrondt op niveau 3 zal zij de Minister - opnieuw - kunnen verzoeken de toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. De Raad hecht eraan op te merken - in reactie op de brief van appellante van

2 februari 2013 - dat hij niet twijfelt aan de inzet van appellante om de studie te volgen en te halen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K.E. Haan

CVG