Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
11-3614 AW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:11 (11-3614 AW-R) en komt in de plaats van de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1948 (11-3614 AW).

Weigering om terug te komen van het eerder genomen besluit, waarbij het college de garantie heeft bevestigd en afspraken vastgelegd met betrekking tot het inkomen, de loonheffing, de pensioenopbouw en de reiskostenvergoeding. Nabetaling vast te stellen op basis van het bruto-loon. Jubileumgratificatie vaststellen aan de hand van oude functie en netto uitbetalen. Na betaling vakantiegeld. Toelage oude functie toekennen. Wettelijke rente vanaf de datum dat het bedrag op basis van de vastgestelde garantieregeling aan appellant had moeten worden uitbetaald, te weten vanaf 2006. Vernietiging bestreden besluit en aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3614 AW-G

Datum uitspraak: 3 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 maart 2012, 10/1501 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Stichting [naam stichting] (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Wind, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Wind. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Boogerman en [G.].

Daarna heeft de Raad de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in der minne te regelen. Partijen hebben in dat kader verschillende brieven gewisseld.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 22 augustus 2013. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Wind. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boogerman, [M.] en[G.].

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1972 werkzaam bij de gemeente Dongeradeel, thans de stichting [naam stichting]. Per 1 april 1996 is hij uitgevallen uit de fulltime functie van schooldirecteur. Per einde wachttijd is hem een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %. Bij besluit van 15 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders appellant de garantie gegeven dat hij, zowel in de periode van arbeidstherapie als in de periode na definitieve plaatsing tot het moment van uittreding wegens pensionering, alle bestaande (secundaire) arbeidsvoorwaarden zal behouden alsof hij zijn baan als directeur had voortgezet. Aan appellant is per 1 mei 2001 ontslag verleend uit zijn fulltime functie als directeur en tegelijkertijd is hij herbenoemd in de functie van groepsleerkracht in de werktijdomvang 0,4790.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het college de garantie bevestigd en afspraken vastgelegd met betrekking tot het inkomen, de loonheffing, de pensioenopbouw en de reiskostenvergoeding. Het inkomen van appellant is opgebouwd uit drie componenten, te weten:

1.

de uitkering van het Uwv voor het gedeelte waarvoor hij als directeur is afgekeurd.

2.

het salaris als groepsleerkracht uitgaande van een werktijdomvang van 0,4790.

3.

de toelage om uitgaande van voornoemde werktijdfactor het salarisverschil tussen de functies van groepsleerkracht en directeur te overbruggen.

Naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar is het college bij besluit van 7 februari 2006 akkoord gegaan met een schikking van € 10.000,- netto, welk bedrag is gerelateerd aan het tijdvak 1 januari 2001 tot 1 januari 2006.

1.3.

Het openbaar onderwijs in de gemeente Dongeradeel is in 2007 verzelfstandigd en ondergebracht in de stichting. De afspraken met appellant zijn in dat kader bij brief van

12 februari 2007 herbevestigd.

1.4.

Bij brief van 27 oktober 2009 heeft appellant de stichting in gebreke gesteld en de gelegenheid geboden om binnen twee weken de overeenkomst uit 2000 alsnog volledig na te komen. Indien de stichting van mening zou zijn dat hieraan geen uitvoering hoefde te worden gegeven, heeft appellant verzocht om een voor bezwaar vatbaar besluit waarin dit standpunt is weergegeven.

1.5.

Bij brief van 11 november 2009 heeft de stichting aan appellant te kennen gegeven dat de overeenkomst wordt uitgevoerd conform het in rechte onaantastbaar geworden besluit van

1 juli 2004. Appellant heeft bij brief van 16 december 2009 bezwaar gemaakt tegen de weigering een besluit te nemen. Bij brief van 14 januari 2010 heeft de stichting nogmaals toegelicht van mening te zijn dat de overeenkomst wordt nagekomen. De stichting heeft appellant in de gelegenheid gesteld om nieuwe feiten en omstandigheden te melden indien hij een nieuw besluit wenst te bewerkstelligen. Appellant heeft daarop niet gereageerd.

1.6.

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft de stichting besloten dat er geen aanleiding is om terug te komen van het besluit van 1 juli 2004. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - overwogen dat gelet op het besluit van 1 juli 2004 en de aanwezige stukken dat tussen partijen is afgesproken dat het inkomen van appellant op basis van de drie componenten overeen dient te komen met het salaris dat hij als fulltime directeur zou hebben ontvangen als hij thans nog in deze functie werkzaam was geweest.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Vast staat dat de stichting geen hoger beroep heeft ingesteld, zodat het oordeel van de rechtbank over de afspraken tussen partijen is komen vast te staan. Op grond daarvan is ter zitting van de Raad van 6 december 2012 besproken dat appellant recht heeft op een salaris als ware hij nog directeur. Uitgaande daarvan is komen vast te staan dat appellant ook een toeslag op de WAO-uitkering nodig heeft om te komen tot het salaris als ware hij nog directeur in een fulltime dienstverband.

3.2.

Partijen zijn na deze zitting in de gelegenheid gesteld om tot een minnelijke regeling te komen. De Raad heeft moeten vaststellen dat partijen daarin niet zijn geslaagd. In de brief van 8 augustus 2013 heeft appellant zijn visie gegeven op de aanspraken die hij nog heeft op de stichting. De stichting heeft bij brief van 12 augustus 2013 en ter zitting van de Raad van

22 augustus 2013 daarop een reactie gegeven. De Raad komt, deze brieven in acht nemend, tot de volgende beoordeling.

3.2.1.

De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat het nog te betalen bedrag dient te worden vastgesteld op basis van het fiscale loon. Appellant heeft gesteld dat uit dient te worden gegaan van het bruto-loon. Appellant wordt in zijn standpunt gevolgd. Nabetalingen van salaris dienen in het algemeen te worden voldaan op basis van het bruto-loon. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat een betrokkene zelf met de belastingdienst afspraken maakt over de nog niet ingehouden belastingen. De Raad ziet geen aanleiding om daar in het geval van appellant anders over te denken. Bovendien blijkt uit de gemaakte afspraken niet dat partijen bij het totstandkomen van de regeling andere bedoelingen hebben gehad. De stichting dient de nabetaling dan ook vast te stellen op basis van het bruto-loon.

3.2.2.

Appellant heeft voorts te kennen gegeven dat hem in juli 2012 een jubileumgratificatie is toegekend van € 1.693,71 netto, maar dat hij in de functie van directeur recht zou hebben gehad op een netto bedrag van € 4.143,96. Aan appellant zou derhalve alsnog een bedrag van € 2.450,25 netto moeten worden overgemaakt. Gelet op de gemaakte afspraken heeft appellant recht op alle (secundaire) arbeidsvoorwaarden als ware hij nog directeur. Uitgaande daarvan dient aan appellant de jubileumgratificatie te worden toegekend waarop hij als directeur recht zou hebben gehad. Deze dient vervolgens netto aan appellant te worden uitbetaald.

3.2.3.

Appellant heeft verder gesteld dat de stichting ten onrechte het vakantiegeld over 2005 heeft meegeteld nu het gaat om het inkomen over 2006. Daarbij gaat het volgens appellant om de aanspraak op salaris over 2006 en niet, zoals de stichting heeft bepleit, over het moment van het feitelijk genieten. De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat uit dient te worden gegaan van de aanspraak op salaris. Dit betekent dat aan appellant moet worden toegekend een aanvulling tot in totaal het brutosalaris over 2006 vermeerderd met 8 % vakantie-uitkering. De stichting heeft dan ook ten onrechte gesteld dat het vakantiegeld over 2005 in de berekening van de achterstallige betaling dient te worden meegenomen. De nabetaling op dit punt dient te worden gecorrigeerd.

3.2.4.

Ter zitting van de Raad heeft de stichting meegedeeld dat akkoord wordt gegaan met de door appellant voorgestelde correctie in verband met het ten onrechte meeberekenen van de FPU-uitkering en het ouderdomspensioen van appellant over december 2012. Nu partijen het daar over eens zijn, behoeft op dit punt geen uitspraak te worden gedaan.

3.2.5.

Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij bij voortzetting van de directeursfunctie recht zou hebben gehad op de toelage voor directeur. De stichting heeft gesteld dat deze toelage in 2009 eerst is ingevoerd om tegemoet te komen aan de functieverzwaring van deze functie. Nu appellant de functie na 2001 niet meer heeft uitgevoerd, heeft hij ook de functieverzwaring niet ervaren. Om die reden meent de stichting dat appellant geen recht heeft op de toelage voor directeur. Appellant meent echter dat de toelage ook dient te worden toegekend nu destijds is afgesproken dat hij alle (secundaire) voorwaarden zou behouden als ware hij directeur. De Raad volgt daarin het standpunt van appellant. De stichting dient derhalve de toelage aan appellant toe te kennen. Nu over de hoogte geen geschil bestaat komt appellant een bedrag toe van € 14.006,-.

4.

Over het bedrag dat als gevolg van deze uitspraak aan appellant dient te worden nabetaald dient wettelijke rente te worden betaald. Anders dan de stichting ziet de Raad geen reden om de datum waarop wettelijke rente zou zijn verschuldigd pas vast te stellen op 1 januari 2009. Met appellant is de Raad van oordeel dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum dat het bedrag op basis van de vastgestelde garantieregeling aan appellant had moeten worden uitbetaald, te weten vanaf 2006.

5.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt

- voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking. Ook het bestreden besluit kan niet in stand blijven. De Raad draagt de stichting op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.

De Raad ziet ten slotte aanleiding de stichting te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, in totaal een bedrag van € 2.360,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de stichting op een nieuwe besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de stichting in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag

van in totaal € 2.360,-;

- bepaalt dat de stichting appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht ten bedrag van € 227,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD