Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
11-2440 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu Cvz bij besluit van 11 april 2013 heeft vastgesteld dat appellant over de uitkeringen van Robein geen buitenlandbijdrage verschuldigd is, heeft appellant geen procesbelang meer bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Hetgeen appellant eerst na het besluit van 11 april 2013, waarin Cvz volledig aan appellant tegemoet is gekomen, te kennen heeft gegeven, te weten dat hij niet verdragsgerechtigd is, dat sprake is van een prevalerend recht in Ierland en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd, ligt - nu het procesbelang is komen te vervallen - niet ter beoordeling van de Raad voor. Mogelijke overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2440 ZVW

Datum uitspraak: 11 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 februari 2011, 09/5009 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Co. Cork (Ierland) (appellant)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft mr. J.B.A.M. de Haan zich als gemachtigde voor appellant gesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Bosma. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J.A. Rood.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Ierland. Hij ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en uitkeringen van Robein Leven B.V. (Robein).

1.2.

Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in Ierland ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage).

1.3.

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft Robein aan appellant meegedeeld dat zij van Cvz de opdracht heeft gekregen om op de uitkeringen van appellant de buitenlandbijdrage in te houden.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 3 februari 2009 bezwaar gemaakt en hierbij aangevoerd dat de uitkeringen van Robein niet tot het bijdrage-inkomen behoren waarover de buitenlandbijdrage verschuldigd is nu op deze uitkeringen geen loonheffing wordt ingehouden.

1.5.

Bij besluit van 22 september 2009 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de uitkeringen van Robein tot het bijdrage-inkomen als bedoeld in artikel 43 van de Zvw behoren en dat daarover de buitenlandbijdrage verschuldigd is.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Appellant heeft wederom betwist dat de uitkeringen van Robein bij de berekening van de buitenlandbijdrage in aanmerking moeten worden genomen.

3.2.

Hangende het geding in hoger beroep heeft Cvz het bestreden besluit ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw besluit van 11 april 2013 genomen. Cvz heeft hierbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 alsnog gegrond verklaard, omdat appellant geen buitenlandbijdrage is verschuldigd over de uitkeringen van Robein. De Belastingdienst heeft op 28 februari 2013 namelijk toegelicht dat de uitkeringen van Robein niet aangemerkt worden als lijfrente-uitkeringen maar als spaarpolisuitkeringen. De waarde van de spaarpolis valt volgens de Belastingdienst in box 3 en daarover is geen buitenlandbijdrage verschuldigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Eerst dient de vraag te worden beantwoord of appellant nog voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is hiervan sprake als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.2.

Nu Cvz bij besluit van 11 april 2013 heeft vastgesteld dat appellant over de uitkeringen van Robein geen buitenlandbijdrage verschuldigd is, heeft appellant geen procesbelang meer bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep moet dan ook

niet-ontvankelijk worden verklaard. Hetgeen appellant eerst na het besluit van 11 april 2013, waarin Cvz volledig aan appellant tegemoet is gekomen, te kennen heeft gegeven, te weten dat hij niet verdragsgerechtigd is, dat sprake is van een prevalerend recht in Ierland en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd, ligt - nu het procesbelang is komen te vervallen - niet ter beoordeling van de Raad voor.

4.3.

Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure en in dit kader de Raad verzocht hem schadevergoeding toe te kennen vanwege een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang.

4.4.

Vanaf de ontvangst door Cvz van het bezwaarschrift op 23 april 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door Cvz vijf maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 2 november 2009 tot de uitspraak op 18 februari 2011 één jaar en ruim drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 19 april 2011 tot deze uitspraak op 11 december 2013 twee jaar en bijna zeven maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.

4.5.

De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5.

De Raad ziet aanleiding om Cvz te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 708,- voor in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt Cvz in de kosten van appellant tot een bedrag van € 708,-;

  • -

    bepaalt dat het onderzoek onder het nummer 13/6446 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.P. Ketting

CVG