Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
11-2611 AWBZ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Omvang van de indicatie voor de functies ondersteunende begeleiding en begeleiding. Het behoort, ook als de betrokkene (nog) geen behandelaar heeft en een (definitieve) diagnose (nog) niet is gesteld, tot de onderzoeksplicht van CIZ om na te gaan of er beperkingen zijn ten gevolge van een aandoening als daarvoor aanwijzingen bestaan. Nu een (volledig) onderzoek naar de medische beperkingen van appellante achterwege is gebleven, is het onderzoek van CIZ niet volledig geweest en is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De Raad draagt CIZ op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2611 AWBZ-T

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 maart 2011, 10/2983 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Jankie, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft

mr. W.A. Timmer, advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld. Mr. Timmer heeft daarna bericht dat zij de zaak heeft overgedragen aan mr. A.T. Tilburg, advocaat.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1930, bezoekt een multiculturele instelling voor dagverzorging voor ouderen. Zij heeft op 7 december 2009 bij CIZ een aanvraag om voortzetting van zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingediend.

1.2. CIZ heeft bij besluit van 21 december 2009 een indicatie gegeven voor ondersteunende begeleiding dagprogramma in klasse 4 (vier dagdelen per week) in de periode van

21 december 2009 tot en met 31 december 2009.

1.3. Bij besluit van 17 juni 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2009 gegrond verklaard en naast de onder 1.2 genoemde indicatie ook een indicatie gegeven voor begeleiding groep in klasse 4 (vier dagdelen per week) in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 december 2010. Daaraan is mede ten grondslag gelegd dat de medisch adviseur van CIZ heeft geconcludeerd dat bij appellante op basis van de aanwezige beperkingen op het gebied van de sociale redzaamheid een ernstig vermoeden van de grondslag psychiatrische aandoening en/of psychogeriatrische aandoening bestaat, maar dat diagnostisch onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Voor appellante kan daarom een voorlopige grondslag psychiatrische aandoening en/of psychogeriatrische aandoening worden vastgesteld, waarmee appellante tijdelijk in aanmerking kan komen voor AWBZ-zorg totdat nadere diagnostiek van haar problematiek heeft plaatsgevonden.

1.4. Bij besluit van 30 november 2010 heeft CIZ een indicatie gegeven voor begeleiding groep in klasse 6 (zes dagdelen per week) in de periode van 30 november 2010 tot en met

29 november 2015.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat CIZ een indicatie heeft gegeven voor ondersteunende begeleiding dagelijks in klasse 4 met ingang van 16 augustus 2006 voor de duur van vijf jaar. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat CIZ voor deze functie bij een later besluit een indicatie in klasse 6 heeft gegeven. Gelet daarop en nu appellante heeft gesteld dat haar behoefte aan dagverzorging ongewijzigd is gebleven, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat CIZ ten onrechte een indicatie in klasse 4 heeft gegeven. De enkele, niet onderbouwde, stelling van appellante dat zij feitelijk zes dagdelen per week van de dagverzorging gebruik maakte, kan aan dat oordeel niet afdoen. De rechtbank heeft verder overwogen dat het gegeven dat bij besluit van 30 november 2010 een indicatie voor zes dagdelen per week is gegeven, niet betekent dat CIZ bij het bestreden besluit eveneens een indicatie in klasse 6 had moeten geven. Uit het aanvraagformulier van

1 november 2010 blijkt immers dat zich bij appellante een verslechtering van haar gezondheidssituatie heeft voorgedaan.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot de omvang van de indicatie voor de functies ondersteunende begeleiding en begeleiding in de periode van 21 december 2009 tot en met

29 november 2010.

4.2.

Het bedrag van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat haar behoefte aan dagverzorging ongewijzigd is gebleven slaagt. Dit reeds omdat op het op 7 december 2009 door appellante ingediende aanvraagformulier wordt opgemerkt dat voor haar een aanvraag wordt gedaan wegens veranderde omstandigheden en dat binnen de dagopvang is te merken dat appellante de afgelopen tijd verder achteruit is gegaan. Reeds hierom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie CRvB 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:832), behoort het, ook als de betrokkene (nog) geen behandelaar heeft en een (definitieve) diagnose (nog) niet is gesteld, het tot de onderzoeksplicht van CIZ om na te gaan of er beperkingen zijn ten gevolge van een aandoening als daarvoor aanwijzingen bestaan. Indien noodzakelijk kan CIZ in dat geval een gespecialiseerd medicus benaderen om de grondslag te bepalen.

4.4.

Van dergelijke aanwijzingen is in dit geval sprake. Dit reeds omdat de medisch adviseur van CIZ een ernstig vermoeden heeft van beperkingen met de grondslag psychiatrische aandoening en/of psychogeriatrische aandoening.

4.5.

Nu een (volledig) onderzoek naar de medische beperkingen van appellante achterwege is gebleven en daartoe gelet op 4.3 en 4.4 aanleiding bestond, is het onderzoek van CIZ niet volledig geweest en is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De Raad zal CIZ met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om het gebrek te herstellen. De Raad stelt de termijn waarbinnen dat gebrek moet worden hersteld vast op twee maanden na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt CIZ op om binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 17 juni 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

TM