Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
13-2421 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke medische onderbouwing. Draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2421 ZW-T

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 28 maart 2013, 12/371 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Theunissen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het hoger beroep in zaak 12/2859 WAO, plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Theunissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en is in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad in de zaak 12/2859 WAO van 18 december 2013. Volstaan wordt hier met het volgende.

1.1 Bij besluit van 3 november 2011 heeft het Uwv, beslissend op het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2011, de toekenning aan appellant gehandhaafd van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% met ingang van 26 oktober 2009. Bij een nieuw besluit op bezwaar van 29 oktober 2012 is onder duiding van nieuwe functies het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2011 alsnog gegrond verklaard en is aan appellant met ingang van 26 oktober 2009 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het beroep daartegen is door de rechtbank Zutphen bij uitspraak van 11 april 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft het hoger beroep tegen deze uitspraak in de hiervoor genoemde uitspraak in de zaak 12/2859 WAO ongegrond verklaard.

1.2. Appellant heeft zich op 9 november 2011 vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met toegenomen rugklachten, klachten aan het rechterbeen en psychische klachten. Appellant is in dat verband op 9 december 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, die hem met ingang van 9 december 2011 weer geschikt heeft geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling - bij het onder 1.1 genoemde besluit van 3 november 2011 - geduide functies. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 9 december 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Het tegen het besluit van 9 december 2011 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 3 februari 2012 (bestreden besluit) - in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapport van 2 februari 2012 - ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe - onder verwijzing naar het in 1.1 genoemde besluit van 29 oktober 2012 - overwogen dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte is uitgegaan van inmiddels vervallen functies, zodat dat besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen zich op zorgvuldige wijze op de hoogte hebben gesteld van de gezondheidstoestand van appellant. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen dat de medische situatie van appellant per datum in geding

(9 december 2011) ten opzichte van de WAO-beoordeling in oktober 2011 niet is achteruitgegaan en dat appellant de nieuw geduide functies kan verrichten.

3.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om gedurende zes uur per dag, 30 uur per week te werken. Volgens appellant heeft de operatie in mei 2010 niet het gewenste resultaat gehad en zijn de klachten alleen maar toegenomen. Door een zenuwbeschadiging heeft hij er een klapvoet aan overgehouden. Verder zijn er volgens appellant ten onrechte geen beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Zijn psychische klachten, waarvoor medicatie, zijn zwaar onderschat. Daarnaast is hij bekend met schouderklachten, armklachten rechts en slaapapneu.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

In dit verband wordt op de eerste plaats overwogen dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat voor de maatstaf arbeid uitgegaan dient te worden van de nieuwe functies die in het kader van het in 1.1 genoemde nieuwe besluit op bezwaar van 29 oktober 2012 zijn geduid en die inmiddels met de uitspraak van de Raad in de zaak 12/2859 WAO in rechte zijn komen vast te staan.

4.3.

Ten aanzien van de medische onderbouwing wordt het volgende overwogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van anamnese, dossierstudie, informatie van de huisarts en van de psycholoog het standpunt ingenomen dat niet blijkt dat de medische toestand van appellant aanmerkelijk zou zijn achteruitgegaan in vergelijking met 5 oktober 2011, het moment waarop hij appellant heeft onderzocht in het kader van de

(in 1.1 genoemde) WAO-bezwaarprocedure.

4.4.

Er bestaat in dit verband, mede gelet op de gezondheidspresentatie van appellant en de informatie van de huisarts van 23 december 2011, waarin niet gerept wordt over schouderklachten, geen aanleiding voor twijfel aan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat de schouderklachten van appellant niet bepalend zijn voor het beeld. Evenmin bestaat er twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de beperkingen als gevolg van de rugklachten zijn toegenomen. In de zaak 12/2859 WAO is reeds vastgesteld dat in de FML geldend vanaf 25 oktober 2009 rekening is gehouden met de toegenomen rugklachten, zoals vastgesteld tijdens het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op 5 oktober 2011. Uit de in beroep overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg, neuroloog, anesthesioloog en revalidatiearts valt een verdere toename van de beperkingen op de onderhavige datum in geding van 9 december 2011 niet af te leiden. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 11 mei 2012 met betrekking tot deze informatie wordt onderschreven.

4.5.

Met betrekking tot de psychische klachten moet echter worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd. In de per 26 oktober 2009 geldende FML zijn - ook naar het oordeel van de Raad in de zaak 12/2859 WAO terecht - geen beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren wegens het op dat moment afwezig zijn van enige vorm van psychopathologie. Uit de informatie van de huisarts van

23 december 2011 en van de psycholoog van 24 december 2011, dus beide van zeer kort na de in geding zijnde datum van 9 december 2011, valt af te leiden dat er bij appellant - naast de ernstige lichamelijke beperkingen - inmiddels sprake is van een ernstige depressie waarvoor appellant een antidepressivum voorgeschreven heeft gekregen en dat er regelmatig overleg plaatsvindt met de huisarts in verband met zorgen omtrent suïcidaliteit. Van afwezigheid van psychopathologie kan hiermee dus zeker niet meer gesproken worden. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband te kennen gegeven dat de psychische klachten van appellant een overwegend reactief karakter hebben en dat de rugklachten bepalend zijn voor de arbeidsongeschiktheid en de beperkingen van appellant. In dit verband wordt niet alleen getwijfeld aan het belang van de (door de bezwaarverzekeringsarts gestelde) oorzaak van de psychische klachten, maar ook wordt hiermee in het geheel niet medisch onderbouwd waarom appellant met de thans wel bestaande psychopathologie geschikt geacht moet worden voor zijn maatgevende arbeid zoals hiervoor vastgesteld in 4.2 en waarbij is uitgegaan van een afwezigheid van psychopathologie.

5.1.

Hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke medische onderbouwing ontbeert. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd en beslissingen heeft genomen over proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.

5.2.

Nu het voorliggende vastgestelde gebrek zich niet leent voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan bestaat er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het in 4.5 aangeduide gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

JL