Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
12-2859 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2859 WAO

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

11 april 2012, 11/1855 aangevallen uitspraak.

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bek, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het hoger beroep in zaak 13/2421 ZW, plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. J.A.J. Theunissen, eveneens werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. ten Brinke. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en is in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving in verband met rugklachten bij Bechterew met spondylolisthesis en psychische klachten vanaf april 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is de

WAO uitkering per 7 februari 2006 ingetrokken.

1.2. Appellant heeft zich vervolgens met toegenomen rugklachten en rechterbeenklachten op 28 september 2009 ziek gemeld vanuit het werk als monteur kunststof kozijnen. In mei 2010 heeft appellant een rugoperatie ondergaan. Appellant heeft op 28 mei 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Appellant is in dat verband op 7 juli 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Deze stelt op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en dossieronderzoek vast dat er sprake is van beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hij voorheen een

WAO-uitkering had. Volgens de verzekeringsarts is appellant sterk beperkt ten aanzien van fysieke belastbaarheid, daarnaast heeft appellant een respiratoire aandoening/slaapapnoe. De verzekeringsarts heeft geen psychopathologie vastgesteld. Verder heeft de verzekeringsarts appellant op basis van energetische gronden aangewezen geacht op een urenbeperking. Hij kan niet werken in de nachten of late avonden en niet meer dan zes uur per dag en 30 uur per week. De verzekeringsarts heeft de aldus vastgestelde beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft een arbeidsdeskundige een aantal voor appellant passend geachte functies geselecteerd, leidend tot een verlies aan verdiencapaciteit van 39,55%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv appellant bij besluit van 10 augustus 2011 meegedeeld dat hij met ingang van 26 oktober 2009 recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit op bezwaar van 3 november 2011 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2011 - in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts neergelegd in het rapport van 30 oktober 2011

- ongegrond verklaard.

1.3. Tijdens de procedure in beroep heeft een bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat een aantal van de eerder geduide functies niet voldeden aan de gestelde urenbeperking en dat geen van de functies actueel was op datum in geding. Hij heeft vervolgens op 27 februari 2012 opnieuw het CBBS geraadpleegd en nieuwe functies geduid. Dit betreft de functies van archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (Sbc-code 315130), besteller post/pakketten (Sbc-code 282102), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (Sbc-code 264122) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050). Een en ander heeft geleid tot het nieuwe besluit op bezwaar van 29 februari 2012 (bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2011 alsnog gegrond verklaard is en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 oktober 2009 alsnog is vastgesteld op 55 tot 65%.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van appellant dat de beoordeling van de verzekeringsartsen niet retrospectief heeft plaatsgevonden niet gevolgd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de beide verzekeringsartsen hebben onderkend dat er sprake is van een verkorte wachttijd en voorts dat uit de FML van

27 februari 2012 die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, blijkt dat is uitgegaan van een geldigheid van deze FML vanaf 25 oktober 2009. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen op de datum in geding niet onjuist heeft ingeschat en dat niet gebleken is dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. Er bestaan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen te twijfelen. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de door appellant in beroep overgelegde medische stukken er met juistheid op heeft gewezen dat deze stukken niet zien op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, maar (ruim) daarna. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van

27 februari 2012 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat kan worden geacht de geduide functies te verrichten.

3.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak herhaalt appellant zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Hij voert daarbij aan dat de beoordeling door de verzekeringsartsen niet in retrospectief heeft plaatsgevonden en dus niet op de datum in geding ziet. De medische beoordeling heeft eerst plaatsgevonden in juli 2011, een jaar en negen maanden na de datum in geding. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat slechts de situatie van appellant op dat moment is beoordeeld en niet de situatie op 26 oktober 2009. De verzekeringsartsen hebben alleen uitgevraagd naar de situatie per datum onderzoek en niet naar de klachten en beperkingen op 26 oktober 2009. Appellant wijst er in dit verband op dat de verzekeringsartsen bij hun medische beoordeling zijn uitgegaan van een status na spondylodese terwijl de operatie op de datum in geding van 26 oktober 2009 nog niet had plaatsgevonden. Dat de verzekeringsartsen zijn uitgegaan van een verkorte wachttijd acht appellant onvoldoende voor de stelling dat de beoordeling van het Uwv wel retrospectief heeft plaatsgevonden met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding. Appellant heeft in dit verband ook gewezen op het rapport van de verzekeringsarts van 31 maart 2010 in het kader van de Ziektewet-beoordeling waarin vermeld wordt dat appellant in afwachting van zijn operatie tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van lichamelijk onderzoek, dossierstudie, informatie van de huisarts en anamnese de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij te kennen gegeven dat de verzekeringsarts zeer forse beperkingen heeft vastgesteld, met zelfs een urenbeperking. Hij ziet vanuit hetgeen bekend is over de rugproblemen geen reden om de FML aan te passen. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de aldus vastgestelde beperkingen. In dit verband moet aan appellant toegegeven worden dat uit de medische rapporten niet expliciet valt af te leiden dat de medische situatie per datum in geding van

26 oktober 2009 is beoordeeld. Wel staat vermeld dat de beoordeling heeft plaatsgevonden binnen het kader van een Amber-beoordeling met betrekking tot de datum 26 oktober 2009 en dat de vastgestelde FML geldend is vanaf 25 oktober 2009. Niet is gebleken dat appellant met de beperkingen neergelegd in de FML is tekortgedaan. Appellant heeft zelf te kennen gegeven dat zijn medische situatie na de operatie is verslechterd en dat hij daarna een klapvoet heeft gekregen. De bezwaarverzekeringsarts heeft hieromtrent te kennen gegeven dat met zijn loopbeperkingen in de FML genoegzaam rekening is gehouden en dat de FML correct is vastgesteld. De medische stukken in het dossier bieden geen aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts of voor het aannemen van extra beperkingen verband houdende met de rugklachten. Dat de verzekeringsarts op 31 maart 2010 in het kader van de Ziektewet (ZW) tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts zag hiertoe aanleiding in verband met de ophanden zijnde zware rugoperatie en in het licht voor zijn beoordeling dat appellant ongeschikt was voor zijn arbeid als monteur kunststof kozijnen. De verzekeringsarts heeft ten behoeve van re-integratie een belastbaarheidspatroon opgesteld, omdat appellant in de tussentijd geholpen wilde worden richting fysiek lichtere arbeid. Met betrekking tot de psychische klachten moet worden vastgesteld dat noch bij het onderzoek door de (ZW-) verzekeringsarts op 31 maart 2010, noch bij het onderzoek door de verzekeringsarts op

7 juli 2011 enige psychopathologie is vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft op het spreekuur van 5 oktober 2011 volgens het rapport van 30 oktober 2011 ook geen wezenlijke psycho-problematiek vermeld. Hij heeft er in dit verband terecht op gewezen dat ook de huisarts in de informatie van 18 oktober 2011 geen melding maakt van een burn-out. Nu appellant in hoger beroep geen medische onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt dat hij op datum in geding van 26 oktober 2009 ook als gevolg van psychische klachten beperkt geacht moet worden, is er geen reden de bevindingen van de verzekeringsartsen ten aanzien van de psychische klachten voor onjuist te houden. Dat appellant nadien psychische klachten heeft ontwikkeld kan in dit verband niet tot een ander oordeel lijden, gelet op de hier in geding zijnde datum.

4.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit moet met de rechtbank geoordeeld worden dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van

27 februari 2012 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant met de voor hem vastgestelde beperkingen in staat geacht kan worden de geduide functies te verrichten.

5.

Uit hetgeen hiervoor in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

JL