Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
12-891 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WAO-uitkering. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep voorts nog aan informatie heeft ingezonden geen reden om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen, dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode in geding, voor onjuist te houden. Het bestreden besluit berust op een onjuiste motivering. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/891 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

16 januari 2012, 11/223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met bijgevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 februari 2012.

Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad heeft, tezamen met de zaak met nummer 13/23 WIA tussen dezelfde partijen, plaatsgevonden op 31 mei 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brauer. Namens het Uwv is

mr. P.C.P. Veldman verschenen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. De Raad heeft een vraagstelling doen uitgaan aan het Uwv, dat daarop heeft gereageerd bij brief van 4 juli 2013 met bijgevoegd het rapport van bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 18 juni 2013. Gemachtigde van appellante heeft hierop bij brieven van 9 en 16 augustus 2013 gereageerd en vervolgens nadere stukken ingezonden.

Het geding is verwezen naar de meervoudige kamer en de behandeling is hervat ter zitting van 30 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

In de zaak met het nummer 13/23 WIA wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in het verleden werkzaam geweest als receptioniste/telefoniste en is op

27 januari 1999 uitgevallen met psychische klachten en lichamelijke klachten van rug, nek en schouders. Met ingang van 12 januari 2000 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2004 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit, die heeft geleid tot de intrekking van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 maart 2005. Het bezwaar tegen deze intrekking is uiteindelijk bij beslissing op bezwaar van 27 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep in de uitspraak van 3 oktober 2006 (06/1097) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8234) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van

3 oktober 2006 vernietigd, het besluit van 27 maart 2006 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De Raad heeft de medische onderbouwing van het besluit van 27 maart 2006 afdoende geacht en is daarbij uitgegaan van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), zoals deze op 5 januari 2006 is vastgesteld en in hoger beroep op 1 september 2008 is gecorrigeerd in verband met het voorkomen van verborgen beperkingen.

1.2. Appellante heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 11 januari 2010 ziek gemeld in verband met spier- en gewrichtspijn. In een brief van 12 januari 2010 heeft zij het Uwv verzocht om heropening van de eerder toegekende WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 juli 2010, waarbij is geweigerd aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen, ongegrond verklaard. Na herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts is het Uwv gebleken dat appellante met ingang van 11 januari 2010 is uitgevallen als gevolg van een andere ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een

WAO-uitkering heeft ontvangen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door verzekeringsarts H. van Amersfoort opgestelde (kritische) FML van 26 maart 2010 niet anders is dan de FML van 1 september 2008, welke ten grondslag heeft gelegen aan de intrekking van de WAO-uitkering per 13 maart 2005. Dat de beperkingen zijn toegenomen blijkt niet en wordt ook anderszins door appellante niet met objectiveerbare gegevens onderbouwd. Appellante is op 4 oktober 2010 door de bezwaarverzekeringsarts

C.G. van der Kooij gezien en onderzocht. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van medische informatie uit de behandelend sector van appellante, waaronder van huisarts drs. J. Boode, gedateerd 15 december 2010 (met bijlagen). De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, mede in het licht van het bepaalde in artikel 43a van de WAO, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld naar de klachten en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De motivering van de bezwaarverzekeringsarts, dat de Amber-wetgeving niet van toepassing is, acht de rechtbank juist.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat haar lichamelijke en psychische klachten zodanig zijn toegenomen dat zij verdergaand beperkt is dan in de FML van 26 maart 2010 is aangegeven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een psychologisch rapport van 24 oktober 2011 en een overzicht van contacten met een pijnpoli ingezonden.

3.2.

In reactie op de vraagstelling van de Raad van 10 juni 2012 heeft het Uwv bij brief van

4 juli 2013, onder verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts Jonker van

18 juni 2013, de motivering van het bestreden besluit aangepast in die zin dat er weliswaar sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, maar dat er geen toename van de beperkingen is en dat daarom geen WAO-uitkering kan worden toegekend.

3.3.

Bij brieven van 9 en 16 augustus 2013, met bijgevoegd onder meer het verslag van revalidatiearts drs. J.F.M. Geboers van 7 mei 2008 en een verklaring van appellante zelf, is nader gereageerd. Aangevoerd wordt dat appellante na de intrekking van de WAO-uitkering als orderpikker is gaan werken, maar zich vanwege diverse klachten meerdere keren ziek heeft moeten melden. Mede in verband hiermee is duidelijk dat de bezwaarverzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen. Ter verdere onderbouwing van dit standpunt is op 18 oktober 2013 een verklaring van de dochter van appellante door de Raad ontvangen. Met de inzending van een rapport van 13 juli 2006 heeft appellante er tenslotte op gewezen dat bezwaarverzekeringsarts Jonker reeds eerder bij deze zaak betrokken is geweest ondanks het verzoek van de Raad een nader onderzoek door een andere verzekeringsarts te laten verrichten.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De WAO-uitkering van appellante is ingetrokken met ingang van 13 maart 2005. Naar aanleiding van de in geding zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid moet in het kader van de toepassing van artikel 43a van de WAO eerst worden bezien of binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de medische beperkingen zijn toegenomen. Dit betekent dat de medische beperkingen ten tijde van de datum van effectuering van de intrekking moeten worden vergeleken met de medische beperkingen die zijn vastgesteld voor de in verband met de melding in aanmerking te nemen datum.

4.2.

Gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens, zoals deze onder meer naar voren komen uit de rapporten van de verzekeringsarts Van Amersfoort van

26 maart 2010, van de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij van 7 januari 2011,

3 maart 2011 en 21 februari 2012 en van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 18 juni 2013, kan het oordeel worden onderschreven dat binnen de in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO genoemde termijn geen sprake was van een relevante toename van de beperkingen van appellante.

4.3.

Naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker nader onderzocht of er op 11 januari 2010 sprake was van een toename van de beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante eerder WAO heeft ontvangen. Uit de informatie van de behandelend sector is haar gebleken dat geen belangrijke somatische of psychische stoornissen zijn waargenomen. Jonker heeft verwezen naar het rapport van de psychologen Goltstein en Frissen van 24 oktober 2011, waarin is vermeld dat appellante iemand is die zich door haar karakterstruktuur snel overbelast voelt en die geneigd is ook allerlei zorgen van anderen op zich te nemen. Van een bepaald omschreven ziektebeeld is bij appellante geen sprake, het gaat om in de persoon gelegen factoren, om een “zo zijn”. Veel lichamelijke klachten zijn vermeld in het huisartsjournaal dat betrekking heeft op de periode van 2 november 2009 tot 10 maart 2010. In dit journaal, noch in andere stukken, zijn psychische klachten vermeld. Hoewel verzekeringsarts Van Amersfoort appellante na de uitval in maart 2010 arbeidsongeschikt heeft geacht vanwege haar psychische problemen is volgens Jonker ook uit observaties van de ziektewetarts, huisarts of van bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij niet gebleken van een ernstige psychiatrische stoornis. Wel was de uitval het gevolg van dezelfde klachten als waarvoor appellante eerder WAO heeft genoten. Van een toename van beperkingen is echter geen sprake geweest. Appellante heeft meer klachten ervaren, maar dat was het gevolg van overbelasting in de privé-sfeer. Overbelasting door de zorg voor anderen is naar de mening van Jonker ook geen indicatie voor een urenbeperking.

4.4.

De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep voorts nog aan informatie heeft ingezonden geen reden om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen, dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode in geding, voor onjuist te houden. Het rapport van de revalidatiearts heeft geen betrekking op voornoemde periode en de overige ingezonden stukken bevatten geen objectieve medische gegevens die voor de Raad een reden zouden kunnen vormen om aan de juistheid van de vastgestelde mogelijkheden en beperkingen van appellante te twijfelen.

4.5.

Eerst nadat hoger beroep was ingesteld heeft het Uwv om advies van bezwaarverzekeringsarts Jonker gevraagd. Zij is in deze zaak niet eerder betrokken geweest.

4.6.

Zoals uit 4.2 tot en met 4.5 volgt, heeft het Uwv in het bestreden besluit terecht besloten dat appellante geen recht heeft op WAO-uitkering. Uit het voorgaande vloeit evenwel voort dat de beoordeling die het Uwv tot dit oordeel heeft geleid, op een ondeugdelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op een onjuiste motivering en moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, zij het dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Nu de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan.

5.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu het Uwv eerst in hoger beroep het standpunt, dat appellante niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, heeft voorzien van een voldoende kenbare en draagkrachtige motivering. Deze kosten worden begroot op

€ 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.416,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 87,60 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.447,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 januari 2011;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.447,60.

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan.

IvR