Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
11-7289 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag ten behoeve van een verhuiskostenvergoeding. Uit de zorgvuldig tot stand gekomen adviezen van CIZ en De MO-Zaak blijkt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verhuizing niet medisch noodzakelijk is. De noodzaak om te verhuizen wordt veroorzaakt door de gezinsgrootte, niet door de medische beperkingen van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7289 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 november 2011, 11/3037 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. I. Heijselaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Dit verweer is later aangevuld met een nader stuk.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 11/7288 WMO. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. drs. Heijselaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr J.C. Smit. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Er wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het linkerbeen van appellant is 10 centimeter korter dan zijn rechterbeen en daardoor heeft hij pijnklachten ontwikkeld in zijn rug en knie. Daarbij lijdt appellant aan een depressieve stoornis. Appellant woont met zijn echtgenote en vier kinderen in een tweekamerappartement op de begane grond.

1.2.

In november 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend ten behoeve van een verhuiskostenvergoeding.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft, na van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ontvangen advies, vastgesteld dat appellant geen medische belemmeringen ondervindt bij het betreden, gebruik of verlaten van zijn woning. De noodzaak om te verhuizen wordt veroorzaakt door de gezinsgrootte, niet door de medische beperkingen van appellant. Dit standpunt is bevestigd door het door De MO-zaak in de bezwaarfase opgestelde advies.

1.4.

Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit de zorgvuldig tot stand gekomen adviezen van CIZ en De MO-Zaak blijkt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verhuizing niet medisch noodzakelijk is. Bovendien heeft de rechtbank onderschreven dat een verhuizing van een tweekamerappartement naar een grotere woning algemeen gebruikelijk en voorzienbaar is, gelet op de gezinsuitbreiding van de laatste jaren.

3.1.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college desgevraagd aangegeven dat in verband met de rechtspraak van deze Raad, in het bijzonder de uitspraak van

9 mei 2012, LJN BW6548, de afwijzingsgrond dat het algemeen gebruikelijk is om in de situatie van appellant te gaan verhuizen, is losgelaten. Wel kan de grondslag in het bestreden besluit dat er geen medische noodzaak bestaat voor de verhuizing, de afwijzing dragen.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Ook in hoger beroep houdt appellant staande dat hij om medische redenen, in het bijzonder zijn depressieve klachten, moet verhuizen. Appellant heeft een verklaring van zijn huisarts overgelegd waaruit blijkt dat appellant al jaren onder behandeling is voor zijn rug- en knieklachten en depressieve klachten. Het wonen in de veel te kleine woning draagt, volgens de huisarts, niet bij aan de verbetering van de depressieve stoornis van appellant.

4.2.

De rechtbank heeft de gronden van beroep van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts levert geen nieuwe gezichtspunten op. Bij de door CIZ en De MO-zaak opgestelde adviezen is rekening gehouden met de medische beperkingen die appellant ondervindt.

4.3.

Het hoger beroep slaag niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand en W.H. Bel en R.P.T. Elshoff als leden in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

QH