Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-570 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervallen indicatie Bjz wegens opname jeugdinrichting. Verantwoording, vaststelling en terugvordering pgb. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/570 AWBZ

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

5 december 2011, 11/634 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 23 oktober 2013. Appellant is vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder], bijgestaan door mr. Van Braam. Het Zorgkantoor is vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 4 maart 2009 heeft het Zorgkantoor aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 26.016,72 voor de periode van 1 januari 2009 tot en met

31 december 2009. De verlening van het pgb berust op een op 29 januari 2009 door Bureau Jeugdzorg (BJz) aan appellant verstrekte indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functies ondersteunende begeleiding en verblijf tijdelijk.

1.2.

Met ingang van 10 maart 2009 is appellant voltijds opgenomen in [naam inrichting] ([naam inrichting]) in[woonplaats].

1.3.

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 vastgesteld op nihil wegens het niet verantwoorden van het over deze periode toegekende bedrag. Daarbij heeft het Zorgkantoor een bedrag van € 26.016,72 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 13 mei 2011 (bestreden besluit) is het hiertegen gemaakte bezwaar [woonplaats] verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening omdat de zorgbehoefte van appellant tijdens zijn opname in [naam inrichting] had kunnen worden bekostigd op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit [woonplaats] verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de indicatie voor het pgb is vervallen vanaf het moment van de opname van appellant in [naam inrichting] en dat het pgb vanaf dat moment door het Zorgkantoor onverschuldigd aan appellant is betaald. De moeder van appellant had ervan op de hoogte kunnen en dienen te zijn dat zij het Zorgkantoor uit eigen beweging op de hoogte had moeten stellen van de opname van appellant in [naam inrichting]. Het Zorgkantoor heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden het onverschuldigd aan appellant betaalde pgb teruggevorderd. Er is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Zorgkantoor bij de belangenafweging van terugvordering had dienen af te zien.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft de Raad geconstateerd dat het Zorgkantoor de grondslag zoals vervat in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Bjz heeft bij besluit van 25 januari 2010 de bij besluit van 29 januari 2009 toegekende indicatie gewijzigd in die zin dat de indicatie met ingang van 10 maart 2009 vervalt omdat appellant per die datum is opgenomen in [naam inrichting]. Op grond van dat besluit heeft het Zorgkantoor geconcludeerd dat voor appellant met ingang van 10 maart 2009, tot in ieder geval 25 januari 2010 geen indicatie aanwezig was als gevolg waarvan geen recht heeft bestaan op een pgb. Het Zorgkantoor heeft de Raad verzocht het bestreden besluit tot vaststelling van subsidie in vorenbedoelde zin te lezen. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten dient te worden vernietigd.

4.2.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad met het oog op finale geschilbeslechting bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in te stand te laten. Hierbij kan en zal de Raad alle door appellant nader ingediende stukken meenemen, zodat de beroepsgrond ter zake geen bespreking behoeft.

4.3.

De Raad stelt vast dat appellant alleen gronden heeft aangevoerd die zijn gericht op de periode van het verblijf in [naam inrichting]. Aldus is uitsluitend in geschil de vaststelling en terugvordering van het pgb over de periode van 10 maart 2009 tot en met 31 december 2009. Dit betreft een vaststelling en terugvordering als bedoeld in de artikel 2.6.13, tweede lid van de Regeling subsidies AWBZ en de artikelen 4:46 en 4:95 van de Awb.

4.4.

Bjz heeft wegens verblijf in [naam inrichting] bij besluit van 25 januari 2010 de indicatie van appellant met ingang van 10 maart 2009 laten vervallen en appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Gelet hierop beschikt appellant vanaf deze datum niet over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in de AWBZ. Naar het oordeel van de Raad is de subsidieverlening derhalve onjuist geweest, hetgeen appellant duidelijk had kunnen en moeten zijn. Immers, het aan appellant verleende pgb had betrekking op andere zorgfuncties dan verblijf in [naam inrichting]. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb bevoegd om het pgb van appellant over deze periode lager vast te stellen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. De omstandigheid dat zorgverleners van appellant of Bjz appellant verkeerd hebben voorgelicht over de gevolgen van de opname in [naam inrichting] in relatie tot het pgb, is door het Zorgkantoor in bedoelde belangenafweging betrokken. Voorts kunnen de door appellant overgelegde verantwoordingsstukken over gedurende de periode in geding door Bemiddelingsbureau Nelson aan hem verleende zorg niet tot een andere uitkomst van deze belangenafweging leiden nu, zoals hiervoor is vastgesteld, appellant voor deze periode niet over een geldig indicatiebesluit voor AWBZ-zorg beschikte. Appellant heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen.

4.5.

Ook de in artikel 4:95 van de Awb aan het Zorgkantoor toegekende bevoegdheid tot terugvordering is een discretionaire bevoegdheid. De omstandigheid dat (de moeder van) appellant in een moeilijke thuissituatie verkeert wegens de zorg voor de broer van appellant, dat zij aan depressies lijdt en dat appellant het teruggevorderde bedrag niet kan terugbetalen, leidt niet tot het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt.

4.6.

Uit hetgeen in rechtsoverweging 4.4 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het Zorgkantoor, zij het op andere gronden, met juistheid is overgegaan tot vaststelling en terugvordering van het pgb van appellant over de periode in geding. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal dan ook worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

4.7.

Er bestaat aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep, totaal € 1.888,-, aan kosten van rechtsbijstand. Tevens dient het Zorgkantoor het in beroep en in hoger beroep door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt;

- veroordeelt het Zorgkantoor in de kosten van appellant in verband met de behandeling van

het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

GdJ