Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
13-1343 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Met betrekking tot de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het steunsysteem van appellante voldoende basis biedt om te voorzien in de medisch noodzakelijke begeleiding naar haar werk overweegt de Raad het volgende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1343 WAO

Datum uitspraak: 19 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 januari 2013, 12/2911 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als [naam functie]. Met ingang van

8 april 1993 is aan haar wegens psychische klachten een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekend. Appellante woont sinds eind 2004 in Turkije.

1.2. Op 27 mei 2009 heeft psychiater W.M.J. Hassing op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv in Turkije onderzoek verricht naar de medische beperkingen van appellante. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellante wisselende angst- en fobische klachten heeft. Voor een depressieve stoornis heeft Hassing onvoldoende aanwijzing gezien, en evenmin voor een ernstige persoonlijkheidspathologie. In haar rapport van 31 mei 2009 heeft Hassing geconcludeerd dat de klachten minder ernstig zijn dan in het begin van de ziekteperiode en dat de beperkingen van appellante vooral samenhangen met haar agorafobie.

1.3. Op 18 juni 2009 is appellante door een verzekeringsarts van het Uwv in Turkije onderzocht. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de vermoeidheids- en malaiseklachten van appellante voldoende medisch zijn onderbouwd. De klachten aan schouder en rug zijn niet geobjectiveerd. Wel is er krachtverlies aan het linkerbeen. De door appellante ervaren angsten geven vooral beperkingen op sociaal gebied. In verband met deze laatste klachten acht de verzekeringsarts een urenbeperking voor gemiddeld vier uur per dag en gemiddeld twintig uur per week aangewezen. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens geleid tot indeling van appellante in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

1.4. Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het Uwv met ingang van 29 december 2009 de

WAO-uitkering verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.5. In het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft appellante aangevoerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen juiste afspiegeling is van haar beperkingen. Meer in het bijzonder heeft appellante aangevoerd dat het verrichten van arbeid niet te rijmen is met haar angst de deur uit te gaan.

1.6. Op 16 juni 2011 heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellante benutbare mogelijkheden heeft en bij punt 2.10 (vervoer) verduidelijkt dat appellante is aangewezen op een vervoersvoorziening. Een onderzoek van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens tot de conclusie geleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 65 tot 80% wordt gehandhaafd. Daarop heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 30 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.7. In de door appellante tegen het besluit van 30 juni 2011 aangespannen beroepsprocedure heeft zij herhaald dat zij niet in staat is de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Voorts heeft ze aangevoerd dat zij voor het vervoer naar haar werk is aangewezen op begeleiding door bekenden. Ter zitting van de rechtbank van 30 november 2011 is afgesproken dat de gemachtigde van appellante nadere informatie zal inwinnen over de gevolgen van de agorafobie van appellante voor het reizen. Voorts is afgesproken dat het Uwv naar aanleiding van bij psychiater Hassing in te winnen informatie een nader standpunt in zal nemen over de vraag of appellante in verband met haar agorafobie is aangewezen op een vaste en/of bekende begeleider bij vervoer.

1.8. Bij brief van 12 december 2011 heeft psychiater Hassing het Uwv bericht de vraag of appellante is aangewezen op een vaste begeleider of bekende gelet op het tijdsverloop slechts in algemene zin te kunnen beantwoorden. Volgens Hassing kan niet gesteld worden dat, omdat iemand voldoet aan de criteria van agorafobie, hij of zij uitsluitend met een bekende kan reizen. Naar aanleiding van deze brief heeft de gemachtigde van appellante een reactie ingediend en een van appellante ontvangen mail van 29 december 2011 overgelegd. Volgens appellante heeft onvoldoende concreet onderzoek plaatsgevonden naar de situatie waarin zij verkeert. In zijn rapport van 1 februari 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven in de overgelegde informatie geen aanleiding te zien om op medische gronden tot een andere beslissing te komen.

1.9. Bij uitspraak van 10 april 2012 heeft de rechtbank het besluit van 30 juni 2011 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Volgens de rechtbank is niet duidelijk of, en zo ja, welke beperkingen voor het reizen moeten worden vastgesteld en welke gevolgen dat heeft voor de arbeidskundige kant van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.

1.10. Op 16 mei 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat de door de rechtbank voor het nemen van een nieuw besluit gestelde termijn onvoldoende tijd laat voor het verrichten van een aanvullend psychiatrisch onderzoek. Dit is voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding geweest er “veiligheidshalve” van uit te gaan dat appellante is aangewezen op een vaste begeleider bij het vervoer, in de vorm van een familielid of andere vertrouwde bekende. De FML is dienovereenkomstig aangepast. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 23 mei 2012 te kennen gegeven dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten, indien in aanvang een haar vertrouwd persoon of familielid wordt ingeschakeld, waarna kan worden toegewerkt naar zelfstandig reizen. De daarmee gepaard gaande kosten voor appellante kunnen door middel van een vervoersvoorziening worden vergoed.

1.11. Bij besluit van 30 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv te kennen gegeven in de uitspraak van de rechtbank te berusten, onder handhaving van het standpunt dat appellante met ingang van 29 december 2009 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2.1. In beroep heeft appellante haar standpunt dat zij niet in staat is de voor haar geselecteerde functies te verrichten gehandhaafd. Voorts heeft appellante te kennen gegeven dat het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante een vertrouwde begeleider in haar steunsysteem heeft.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het geschil zich allereerst toespitst op de vraag of het Uwv er terecht van is uitgegaan dat appellante over een ‘steunsysteem’ beschikt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

10 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV3685) heeft de rechtbank deze vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank is voorts van oordeel dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die twijfel over de vaststelling van de medische beperkingen en de FML kunnen doen ontstaan en heeft, mede in het licht van het deskundigenbericht van psychiater Hassing geen grond gezien voor het oordeel dat de medische beperkingen en de FML onzorgvuldig zouden zijn vastgesteld, zodat de (bezwaar)arbeidsdeskundige van deze gegevens heeft mogen uitgaan.

3.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij gelet op haar medische beperkingen niet in staat is de haar voorgehouden functies te verrichten. Voorts heeft zij haar standpunt gehandhaafd dat haar steunsysteem niet kan voorzien in de voor haar medisch noodzakelijke begeleiding.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Appellante heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd die over de juistheid van de vaststelling van de medische beperkingen twijfel kunnen doen rijzen.

4.2.

Met betrekking tot de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het steunsysteem van appellante voldoende basis biedt om te voorzien in de medisch noodzakelijke begeleiding naar haar werk overweegt de Raad het volgende.

4.3.

De rechtbank heeft deze vraag in navolging van het Uwv met een beroep op de in 2.2 vermelde uitspraak van de Raad bevestigend beantwoord. Deze uitspraak ziet op een met de huidige zaak vergelijkbare situatie waarin de betrokkene wegens een paniekstoornis met agorafobie voor het bereik van haar werk was aangewezen op een vervoersvoorziening en intensieve begeleiding van haar steunsysteem (familie/huisgenoten). De Raad heeft toen het in algemene zin door het Uwv ingenomen standpunt onderschreven dat van dit steunsysteem de nodige begeleiding mag worden verwacht en dat daarna toegewerkt kan worden naar zelfstandig reizen met openbaar vervoer. Anders dan in die zaak is in de nu te beoordelen zaak in de FML een uitdrukkelijke medische indicatie voor een vaste begeleider opgenomen.

4.4.

De Raad ziet in deze omstandigheid echter geen aanleiding anders te oordelen dan in zijn uitspraak van 10 februari 2012, omdat het Uwv voldoende heeft onderzocht welke personen voor appellante concreet voorhanden waren om haar te begeleiden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante ten tijde in geding samenwoonde met haar echtgenoot en dochter. Voorts heeft appellante een vriendin die in de buurt is komen wonen om haar te begeleiden. Daarnaast is sprake van nog een andere vriendin en is er een zuster die haar begeleidt. Verder heeft het Uwv te kennen gegeven dat voor de noodzakelijke begeleiding in een financiële vergoeding kan worden voorzien. Ten slotte heeft het Uwv benadrukt dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de noodzaak van de begeleiding beperkt zal blijven tot een beperkte periode. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het steunsysteem van appellante in de medisch noodzakelijke begeleiding naar het werk kan voorzien. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing berust.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4.6.

Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H.J. Dekker

ew