Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
12-5637 BESLU-S
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van het door partijen ingenomen standpunt dat aanleiding bestaat om vanwege overschrijding van de redelijke termijn over te gaan tot vergoeding van schade door de Staat aan verzoekster ten bedrage van € 1.500,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5637 BESLU, 12/5638 BESLU-S

Datum uitspraak: 19 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoekster]te [woonplaats](verzoekster)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van

27 februari 2008, 07/1829 en 07/3616 in de gedingen tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraak van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3113, heeft de Raad op het hoger beroep van verzoekster beslist. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de nummers 12/5637 en 12/5638 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in deze procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens verzoekster heeft mr. K.J.M. Slangen, advocaat, hierop schriftelijk gereageerd.

De Raad heeft de zaak voor behandeling verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.



OVERWEGINGEN

1.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat zijn uitspraak van 26 oktober 2012 een tweetal afzonderlijke procedures tussen verzoekster en het Uwv betrof. De eerste procedure had betrekking op de toerekening aan verzoekster van de door het Uwv betaalde en nog te betalen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan de (ex)werknemer J. Boeschoten (werknemer). De tweede procedure had betrekking op het verhaal van die uitkering door het Uwv op verzoekster.

2.

In zijn uitspraak van 26 oktober 2012 heeft de Raad het hoger beroep tegen beide uitspraken niet-ontvankelijk verklaard en het onderzoek in verband met een verzoek om vergoeding van schade in beide procedures heropend.

3.

Namens de Staat is erkend dat in beide procedures de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase van de procedures is overschreden. In de eerste procedure bedroeg de overschrijding een jaar en vier maanden, in de tweede procedure een jaar en twee maanden. Namens de Staat is te kennen gegeven dat aan verzoekster in verband hiermee alleen voor de eerste procedure een vergoeding toekomt van

€ 1.500,--. De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure leidt volgens de Staat niet tot een hogere schadevergoeding, omdat zowel de eerste als de tweede procedure in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie door de tweede procedure was derhalve geen sprake. Met betrekking tot die tweede procedure is namens de Staat volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn door de rechter is geschonden.

4.

Verzoekster heeft zich met deze zienswijze kunnen verenigen en de Raad verzocht de schadevergoeding bij uitspraak vast te stellen.

5.

De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van het door partijen ingenomen standpunt dat aanleiding bestaat om vanwege overschrijding van de redelijke termijn over te gaan tot vergoeding van schade door de Staat aan verzoekster ten bedrage van € 1.500,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoekster van een schadevergoeding van € 1.500,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) P. Boer

CVG