Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
12-5232 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Weigering heropening WAO-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er ten tijde van belang geen sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij appellante als bedoeld in artikel 43a WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5232 WAO

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

10 augustus 2012, 12/361 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Schyns. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 april 2004 heeft het Uwv appellante bericht dat haar uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 maart 2004 wordt ingetrokken. Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2004 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld.

1.2. Bij brief van 16 mei 2011 heeft appellante zich tot het Uwv gewend met het verzoek om heropening van haar WAO-uitkering. Bij besluit van 5 september 2011 heeft het Uwv geweigerd om toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO, omdat het moment van (eventuele) toename van de arbeidsongeschiktheid van appellante niet is gelegen binnen vijf jaar na 23 maart 2004. Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van de zijde van het Uwv zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de door appellante overgelegde medische gegevens onvoldoende steun bieden voor de stelling van appellante dat er reeds voor maart 2009 sprake was van een dusdanige toename van haar beperkingen en dat zij op grond daarvan recht zou hebben op een WAO-uitkering.

3.

Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat naar haar stellige overtuiging de medische informatie als neergelegd in de brief van prof. dr. P. Geusens, reumatoloog, van

18 januari 2005 in samenhang gelezen met de brief van L.M. Habets, huisarts van

22 maart 2011, met bijbehorende bijlagen, voor zich spreekt en aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Ten onrechte heeft de rechtbank aan het verzoek om benoeming van een deskundige geen gevolg gegeven.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in een geval als het onderhavige, waarin twijfel mogelijk is over de vaststelling van het exacte moment waarop zich een relevante wijziging in de gezondheidstoestand van een verzekerde heeft voorgedaan, er goede gronden moeten zijn om die twijfel ten gunste van de verzekerde te laten strekken, indien deze eerst lange tijd na de datum waarop deze arbeidsongeschiktheid zou zijn toegenomen, een aanvraag om uitkering heeft ingediend.

4.2.

Naar aanleiding van de in geding zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid moet in het kader van de toepassing van artikel 43a van de WAO worden bezien of binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de medische beperkingen zijn toegenomen. Dit betekent dat de medische beperkingen ten tijde van de intrekking moeten worden vergeleken met de medische beperkingen die zijn vastgesteld voor de in verband met de melding in aanmerking te nemen datum.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er ten tijde van belang geen sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij appellante als bedoeld in artikel 43a WAO. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, maar overigens niet is onderbouwd met nadere gegevens die betrekking hebben op de in geding zijnde periode, zijn geen aanknopingspunten aangetroffen om tot een andersluidend oordeel te komen. Door de bezwaarverzekeringsarts is in het rapport van 16 december 2011 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd, door middel van beoordeling van de onder 3 vermelde medische informatie, dat er in ieder geval tot 24 maart 2009 geen sprake is van toename van de beperkingen van appellante ten opzichte van het toestandsbeeld van appellante als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 18 november 2003. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank de beschikking had, heeft zij geen aanleiding hoeven zien voor het benoemen van een deskundige.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak van de rechtbank dient bevestigd te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

CVG