Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
12-2415 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering kinderbijslag. De Svb heeft met de rapporten van de sociaal attaché en het handhavingsrapport aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode in geding geen ingezetene van Nederland meer was. Het bestreden belsuit berust op een onjuist beoordelingskader. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2415 AKW

Datum uitspraak: 19 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 maart 2012, 11/3198 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Spooren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013. Namens appellante is verschenen mr. Spooren. Tevens is verschenen [naam], de broer van de echtgenoot van appellante. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit heeft, is geboren [in]

[in] 1971 in Marokko. Zij is gehuwd met [naam echtgenoot], geboren in 1963 in Marokko. Vanaf enig moment is appellante in Nederland woonachtig geweest en vanaf oktober 2001 huurde appellante met haar echtgenoot een woning aan de [adres] in de gemeente [naam gemeente]. Appellante ontving kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar in Nederland geboren kinderen [A.], geboren [in] 1991, [N.], geboren [in] 1993, [F.], geboren [in] 1995 en [Z.], geboren [in] 1998. De drie oudste kinderen wonen sinds 1999 in Marokko, het jongste kind woont sinds oktober 2003 in Marokko. Aan de Svb is opgegeven dat de kinderen worden verzorgd door een familielid genaamd [naam familielid].

1.2. Op 23 augustus 2007 deelt de echtgenoot van appellante de Svb mee dat [A.] schoolgaand is. De Svb heeft de sociaal attaché verbonden aan de Nederlandse ambassade te Rabat verzocht een onderzoek in te stellen naar de schoolsituatie van [A.]. Uit het rapport van 19 augustus 2008 van de sociaal attaché blijkt dat het onderzoek naar het volgen van onderwijs wegens de vakantieperiode niet kon worden verricht. Voorts blijkt daaruit dat op

15 juli 2008 door een medewerker van de sociaal attaché een bezoek is gebracht aan het door appellante opgegeven verblijfsadres van de kinderen. Aangetroffen werd de broer van de echtgenoot van appellante. Deze verklaarde onder meer dat de woning waar de kinderen verblijven van de echtgenoot van appellante is, dat de kinderen met hun ouders op vakantie zijn in Nederland en dat de verzorger gedurende de vakantie ergens anders verblijft. Vervolgens is een twintig meter verderop gelegen winkelier benaderd. Door de winkelier is verklaard dat appellante samen met haar gezin al jaren op het bezochte verblijfsadres woont. Een buurman bevestigde deze verklaring. De medewerker van de sociaal attaché heeft vervolgens de plaatselijke autoriteiten gevraagd naar de woonsituatie van appellante en haar gezin. Het wijkhoofd verklaarde dat appellante samen met haar echtgenoot en kinderen op het bezochte verblijfsadres woont. De naam van de verzorger was bij hem niet bekend. Omdat het wijkhoofd nader onderzoek wilde doen naar de woonsituatie is afgesproken dat de medewerker van de sociaal attaché hem zou terugbellen. Dit is op 21 juli 2008 gebeurd en tijdens dat onderhoud heeft het wijkhoofd verklaard dat appellante sinds meer dan vijf jaar op het bezochte verblijfsadres woont. De gestelde verzorger woont volgens het wijkhoofd niet op dat adres.

1.3. De sociaal attaché heeft op 4 februari 2009 een vervolgonderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 5 februari 2009. Uit het rapport blijkt dat drie medewerkers van de sociaal attaché het verblijfsadres van de kinderen hebben bezocht. Daar werden appellante en haar echtgenoot aangetroffen. De echtgenoot verklaarde desgevraagd dat hij weliswaar vaak in Marokko verblijft, maar overwegend in Nederland is samen met appellante. Over het woonadres van [naam familielid] heeft de echtgenoot in eerste instantie verklaard dat hij op het bezochte verblijfsadres woont, maar vervolgens verklaard dat hij ergens anders in de stad woont samen met zijn gezin. De medewerkers hebben tot slot foto’s gemaakt van onder meer het Nederlandse paspoort van appellante.

1.4. Op 10 februari 2009 hebben appellante en haar echtgenoot zich uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wegens vertrek naar Marokko. Vervolgens heeft de Svb appellante bij brief van 3 april 2009 uitgenodigd voor een kantoorbezoek om te onderzoeken of zij nog voldoet aan de voorwaarden voor kinderbijslag. Daarbij is haar verzocht haar Nederlandse en Marokkaanse paspoort mee te nemen. De echtgenoot heeft daarop meegedeeld dat zij daar geen gehoor aan kunnen geven, omdat zij inmiddels definitief zijn verhuisd naar Marokko. Nadat de Svb bij besluit van 28 april 2009 aan appellante had meegedeeld dat zij vanaf het derde kwartaal van 2008 geen recht meer heeft op kinderbijslag, is bij besluit van 21 januari 2011 het recht op kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2004 herzien. Appellante is volgens de Svb vanaf 1 januari 2004 niet meer verzekerd ingevolge de AKW, omdat zij vanaf die datum niet meer in Nederland woont. Bij afzonderlijk besluit van 21 januari 2011 heeft de Svb een bedrag van € 20.741,67 aan teveel betaalde kinderbijslag over de periode van het eerste kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2008 teruggevorderd. Tegen beide besluiten van 21 januari 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.5. Gedurende de bezwaarprocedure heeft de Svb een handhavingsrapport van

6 mei 2009 ingebracht. Daarin wordt weergegeven een aantal uit het Nederlandse paspoort van appellante verkregen data waarop zij Marokko is in- en uitgereisd. Daaruit heeft de rapporteur geconcludeerd dat appellante in 2004 en 2006 slechts enkele dagen niet in Marokko is geweest. Voorts heeft een medewerker van de woningstichting verklaard dat het energieverbruik van gas en elektra sinds het begin van de verhuur zeer laag is. De rapporteur heeft twee buurtbewoners van appellante gesproken. Eén daarvan verklaarde dat hij sinds medio 2005 in hetzelfde appartementencomplex woont en dat in zijn beleving nooit iemand anders dan een jonge man op het bewuste adres heeft verbleven. De overbuurman verklaarde dat hij sinds 1996 in zijn huidige woning woont, dat er enkele keren mensen zijn gezien op het adres van appellante, maar dat daar naar zijn mening vanaf 2003 niemand woonachtig is. Op slechts twee momenten zijn een vrouw en enkele kinderen gezien, maar deze vertrokken steeds na ongeveer een week.

1.6. Bij besluit van 25 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 21 januari 2011 ongegrond verklaard. Gehandhaafd is het standpunt dat appellante, gelet op de onderzoeken van de sociaal attaché en de handhavingsrapportage van

6 mei 2009, vanaf 1 januari 2004 niet meer verzekerd is ingevolge de AKW omdat zij vanaf dat moment niet meer in Nederland woont. Over de periode vanaf het eerste kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2008 is ten onrechte kinderbijslag betaald en de Svb is verplicht om tot herziening over te gaan. Er zijn geen dringende redenen om van herziening af te zien. Met betrekking tot de terugvordering is eveneens geoordeeld dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de onderzoeksresultaten voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat appellante in de in geschil zijnde kwartalen geen ingezetene van Nederland is geweest. Voorts is overwogen dat niet is gebleken van enige dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank haar ten onrechte niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt. De stempels in het Nederlandse paspoort geven geen volledig beeld van het reisgedrag; daarvoor dient ook het Marokkaanse paspoort te worden onderzocht. De Svb heeft nagelaten dit onderzoek te verrichten. Verder heeft appellante betwist de bevindingen zoals neergelegd in de rapporten van de sociaal attaché van 19 augustus 2008 en 5 februari 2009 en het handhavingsrapport van 6 mei 2009.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop moet worden gesteld dat het bestreden besluit berust op een onjuist beoordelingskader. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een betrokkene ingezetene is in de zin van de AKW is de maatstaf neergelegd in de arresten van de Hoge Raad van

21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285). De door de Svb in het bestreden besluit gehanteerde maatstaf van juridische, economische en sociale binding is hiermee achterhaald. Daarvan uitgaande is in dit geding aan de orde of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2008 niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

4.2.

In de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.3.

Bij een belastend besluit als waar het hier om gaat, rust op de Svb de bewijslast voor zover is gesteld dat appellante in de periode in geding in Marokko en niet in Nederland woonde. De Svb heeft de rapporten van de sociaal attaché van 19 augustus 2008 en

5 februari 2009 en het handhavingsrapport van 6 mei 2009 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Wat betreft de rapporten van de sociaal attaché is voor herziening en terugvordering van reeds toegekende kinderbijslag op basis van een rapport als hier aan de orde alleen dan plaats, als dit rapport een voldoende consistent beeld oplevert en als er op de voor aanspraak op kinderbijslag relevante punten niet aan de inhoud van dit rapport hoeft te worden getwijfeld.

4.4.

De Raad is van oordeel dat de Svb met de rapporten van de sociaal attaché en het handhavingsrapport aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode in geding geen ingezetene van Nederland meer was. Hierbij wordt belang gehecht aan de inhoud van deze rapporten zoals weergegeven onder 1.2, 1.3 en 1.5. Daaruit blijkt dat er verschillende personen, waaronder het wijkhoofd in Marokko, onafhankelijk van elkaar verklaard hebben dat appellante in Marokko woonde. De Svb mocht uitgaan van de juistheid van deze verklaringen en hoefde geen gewicht toe te kennen aan de in beroep overgelegde, latere verklaring van het wijkhoofd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715) mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde verklaring. In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het maken van een uitzondering op dit algemene uitgangspunt aanleiding geven. Verder bevestigen de gegevens blijkend uit het handhavingsrapport van 6 mei 2009 de bevindingen vermeld in de rapporten van de sociaal attaché. Uit de verklaringen van de bewoners van hetzelfde appartementencomplex als waar appellante ingeschreven heeft gestaan, blijkt namelijk dat appellante daar door hen niet of nauwelijks is gezien. Daarbij is geconstateerd dat het energieverbruik zeer laag was, hetgeen er in dit specifieke geval op duidt dat van wonen aldaar in de periode in geding geen sprake is geweest.

4.5.

Voorts wordt belang gehecht aan de in- en uitreisstempels in het Nederlandse paspoort van appellante, waaruit de Svb, bij het ontbreken van tegenbewijs, mocht opmaken dat appellante gedurende het overgrote deel van de periode in geding in Marokko verbleef. Appellante heeft met de enkele stelling dat zij ook met haar Marokkaanse paspoort reisde niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode in geding niet overwegend in Marokko verbleef. Een afschrift van het Marokkaanse paspoort heeft appellante niet ingebracht, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Dat dit paspoort inmiddels is vernieuwd en daarom niet meer kan worden overgelegd, komt voor risico van appellante. De stelling van appellante dat de Svb in september 2006 aan de hand van haar Nederlandse paspoort had vastgesteld dat zij in Nederland woonde, kan niet afdoen aan de juistheid van de rapporten van de sociaal attaché en het handhavingsrapport. Verder kan niet zonder enige betekenis blijven dat de broer van de echtgenoot van appellante, blijkens een daarvan opgemaakte telefoonnotitie, op

1 augustus 2006 heeft verklaard dat appellante in Marokko woont.

4.6.

Nu appellante in de periode in geding niet in Nederland woonde, was zij op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, van de AKW niet verzekerd en had zij dus geen recht op (tweevoudige) kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag is dan ook terecht herzien. Tegen de terugvordering van de kinderbijslag heeft appellante geen afzonderlijke bezwaren aangevoerd.

4.7.

Overweging 4.1 leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad, gezien de overwegingen 4.2 tot en met 4.6, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

5.

Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.888,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 mei 2011;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

QH