Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
12-899 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag kinderbijslag. Onvoldoende onderzoek of appellant ingezetene was en naar het verblijf in Marokko gedurende de periode in geding. De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/899 AKW

Datum uitspraak: 19 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 december 2011, 11/3546 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W. Altenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend voor zijn drie in Nederland [in] 1998, [in] 2000 en [in] 2004 geboren kinderen. Vanaf enig moment zijn deze kinderen woonachtig in Marokko. Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Svb het recht op kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2009 beëindigd, omdat appellant niet heeft gereageerd op informatieverzoeken van de Svb betreffende de onderhoudseis. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Op 10 februari 2010 verzoekt appellant de Svb om kinderbijslag toe te kennen voor zijn drie kinderen. Op 27 september 2010 geeft appellant te kennen dat uit zijn huwelijk op

24 juni 2010 een tweeling is geboren. Bij besluit van 17 november 2010 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 2009 geen recht heeft op kinderbijslag. Daartoe is overwogen dat appellant voornamelijk bij zijn gezin in Marokko verblijft en sinds de peildatum van het eerste kwartaal van 2009 geen ingezetene van Nederland meer is.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2010 is bij besluit van

17 juni 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat vanaf het eerste kwartaal van 2009 geen recht bestaat op kinderbijslag, omdat appellant geen ingezetene van Nederland meer is. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de Svb, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011

(LJN BP1466), in het bestreden besluit een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van de vraag of appellant ingezetene van Nederland is. Het bestreden besluit berust op een motiveringsgebrek en komt gelet op het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in aanmerking voor vernietiging. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn vanwege het navolgende in stand gelaten. Over de periode van het eerste tot en met het derde kwartaal van 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat met het besluit van 30 september 2009 in rechte is komen vast te staan dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag. Niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Over de periode van het vierde kwartaal van 2009 tot en met het vierde kwartaal van 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland, zodat appellant niet als ingezetene kan worden aangemerkt.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan de aanvraag om kinderbijslag ten grondslag zijn gelegd. Voorts heeft de rechtbank appellant ten onrechte niet als ingezetene van Nederland aangemerkt.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Bij besluit van 30 september 2009 is geoordeeld dat appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2009 geen recht meer heeft op kinderbijslag, omdat het recht hierop niet kan worden vastgesteld wegens het niet reageren op informatieverzoeken van de Svb betreffende de onderhoudseis. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat in rechte onaantastbaar is dat appellant over het eerste kwartaal van 2009 tot en met het derde kwartaal van 2009 geen recht heeft op kinderbijslag. De aanvraag van 10 februari 2010 is, voor zover deze betrekking heeft op meergenoemde periode, een herhaalde aanvraag.

4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor inhoudelijke toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor een inhoudelijke toetsing geen plaats.

4.3.

Ter ondersteuning van zijn aanvraag van 10 februari 2010 heeft appellant aangevoerd dat hij als ingezetene van Nederland recht heeft op kinderbijslag. Tevens heeft hij, onder overlegging van een aantal stukken, aangevoerd dat hij voldoet aan de onderhoudseis. Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, reeds omdat deze stukken geen betrekking hebben op de periode van het eerste kwartaal van 2009 tot en met het derde kwartaal van 2009. Voor een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit is daarom, wat betreft meergenoemde periode, geen plaats. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de periode van het eerste kwartaal van 2009 tot en met het derde kwartaal van 2009, terecht in stand gelaten.

4.4.

Over de periode van het vierde kwartaal van 2009 tot en met het vierde kwartaal van 2010 is tussen partijen in geschil of de rechtbank terecht heeft beslist dat appellant geen ingezetene was van Nederland en op die grond niet verzekerd was ingevolge de AKW.

4.5.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.6.

In de arresten van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.7.

In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 (zie onder meer LJN BW5741 en LJN BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.8.

Ten aanzien van deze beoordeling wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant, gehuwd met [naam echtgenote], is in 1956 in Marokko geboren. Naar eigen zeggen is appellant vanaf 1980 in Nederland woonachtig en vanaf 23 augustus 2000 is hij in het bezit gesteld van de Nederlandse nationaliteit. Zijn echtgenote en de drie in Nederland geboren kinderen woonden met appellant in Nederland en vanaf enig moment wonen deze kinderen in Marokko. Op 27 oktober 2009 is de echtgenote uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) wegens vertrek naar Marokko. Appellant staat sedert jaren ingeschreven in de GBA en beschikt over zelfstandige woonruimte, waar hij de huur voor betaalt. Op zijn aanvraag heeft appellant aangegeven dat hij twee keer per jaar zijn gezin in Marokko bezoekt. Appellant heeft kopieën van zijn Nederlandse paspoort, geldig van 3 oktober 2005 tot en met 3 oktober 2010, ingebracht waaruit, voor zover voor het onderhavige geding van belang, blijkt dat appellant Marokko op 7 april 2009 is ingereisd en op 13 april 2009 is uitgereisd. Het Marokkaanse paspoort is appellant naar eigen zeggen verloren. Sinds een aantal jaren ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Tevens ontvangt hij zorg- en huurtoeslag. Verder heeft appellant een Nederlandse zorgverzekering. Blijkens een verklaring van psychiater M. Swets van 26 oktober 2010 staat appellant vanaf 2 januari 2003 onafgebroken onder behandeling. De gz-psycholoog heeft voorts in 2011 te kennen gegeven dat appellant in de jaren 2009 en 2010 in totaal acht keer de psychiater heeft bezocht. Tevens is ingebracht een overzicht van de apotheek met daarop een aantal (bezoek)data in de jaren 2009 en 2010.

4.9.

De Svb gaat ervan uit dat appellant slechts voor korte perioden in Nederland verbleef gedurende de periode in geding. Appellant wordt tegengeworpen dat hij geen overzicht heeft ingebracht van zijn perioden van verblijf in Marokko. Verder leidt de Svb uit de jaarafrekening van de energiemaatschappij van 17 maart 2010 af dat sprake is van een zeer laag energieverbruik in de door appellant gehuurde woning en wordt waarde gehecht aan de omstandigheid dat een broer van appellant gelden overmaakt van de rekening van appellant naar Marokko.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant sedert jaren ingezetene van Nederland is geweest. De vraag is of de onder 4.8 en 4.9 neergelegde feiten en omstandigheden de conclusie, dat appellant in de periode van het vierde kwartaal van 2009 tot en met het vierde kwartaal van 2010 geen ingezetene meer is, kunnen dragen. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Het onderzoek naar het ingezetenschap van appellant is onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd. Van belang wordt geacht dat appellant reeds jaren over dezelfde woning beschikt, waarvoor hij de huur betaalt. Omtrent het lage energieverbruik is verklaard dat appellant wegens zijn psychische aandoening een zwervend bestaan leidt. Hiervan is een begin van bewijs ingebracht door overlegging van de onder 4.8 genoemde stukken van zijn psychiater en gz-psycholoog. De Svb heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te verrichten. Naar de verblijfsduur van appellant in Marokko is eveneens onvoldoende onderzoek verricht. Uit het Nederlandse paspoort kan slechts worden afgeleid dat appellant in de periode van

7 april 2009 tot 13 april 2009 in Marokko is geweest. Uit het gegeven dat appellant zijn Marokkaanse paspoort naar eigen zeggen kwijt is geraakt en niet heeft gereageerd op informatieverzoeken van de Svb, kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat appellant vanaf een bepaald moment gedurende steeds langere periodes in Marokko heeft verbleven. Uit de thans voorhanden zijnde gegevens kan niet worden opgemaakt dat, en zo ja, per wanneer appellant steeds langer in Marokko is gaan verblijven. Bovendien hoeft een (lang) verblijf in een ander land niet per definitie te betekenen dat daarmee op enig moment de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland verloren gaat. Het is een omstandigheid die in het licht van de overige omstandigheden een rol kan spelen bij de beoordeling. In dit verband wordt er bovendien op gewezen dat niet wordt betwist dat appellant gedurende de periode in geding regelmatig in Nederland was om zijn psychiater te bezoeken. Ten slotte moet vastgesteld worden dat de Svb niet heeft beoordeeld of gedurende de in geschil zijnde kwartalen wellicht sprake is geweest van een dubbele woonplaats.

4.11.

Uit de overwegingen 4.8 tot en met 4.10 vloeit voort dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de periode van het vierde kwartaal van 2009 tot en met het vierde kwartaal van 2010, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het bestreden besluit weliswaar vernietigd, maar heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Dat betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Svb dient ter zake van de aanspraken van appellant op kinderbijslag een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voor het doen van een tussenuitspraak wordt geen ruimte gezien. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

5.

Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 472,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op het recht op kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal van 2009 tot en met het vierde kwartaal van 2010, in stand zijn gelaten;

- draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 472,-;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

QH