Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
12-889 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering kinderbijslag omdat appellant niet aangetoond dat hij zijn dochter in de periode(s) in geding in belangrijke mate heeft onderhouden. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/889 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

27 januari 2012, 11/3367 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 19 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.J. van de Kerkhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013. Appellant is daarbij in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van de Kerkhof. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is de vader van [naam dochter], geboren [in] 2003 te [plaatsnaam]. Hij heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen van de Svb voor [naam dochter].

1.2. In januari 2009 heeft de Svb van de gemeente Eindhoven vernomen dat [naam dochter] niet bij appellant in huis woonde. Appellant heeft toen aan de Svb meegedeeld dat [naam dochter] vanaf

1 augustus 2008 tijdelijk in Polen verbleef bij haar moeder om daar Pools te leren. In maart 2011 heeft de Svb van het Poolse uitvoeringsorgaan vernomen dat de moeder van [naam dochter] vanaf 1 mei 2004 in Polen woont en daar geen aanvraag om Poolse kinderbijslag heeft ingediend.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2011 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 2004 geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam dochter], omdat zijn bijdrage in haar levensonderhoud minder heeft bedragen dan € 386,- per kwartaal. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij zijn diverse bankafschriften overgelegd.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 5 september 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 27 mei 2011 herroepen ten aanzien van diverse kwartalen en is de herziening van de aanspraak op kinderbijslag gehandhaafd over het tweede kwartaal van 2006, het eerste en vierde kwartaal van 2007 en het eerste en tweede kwartaal van 2008. Ten aanzien van deze kwartalen heeft appellant niet aangetoond dat hij [naam dochter] toen in belangrijke mate heeft onderhouden.

1.5. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 4 oktober 2011 de over laatstgenoemde kwartalen onverschuldigd aan appellant betaalde kinderbijslag van € 935,88 van hem teruggevorderd. Tevens is daarbij een boete opgelegd van € 100,-.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet op eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond dat hij gedurende de nog in geschil zijnde kwartalen heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.

3.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij gedurende het vierde kwartaal van 2007 diverse uitgaven via betaalautomaten heeft gedaan die de vereiste onderhoudsbijdrage overschrijden en dat die uitgaven wel eenvoudig controleerbaar zijn in zijn geval, omdat hij slechts één dochter heeft en de uitgaven dus voor haar bestemd zijn geweest. Ten aanzien van de overige vier kwartalen is aangevoerd dat appellant grote bedragen heeft overgemaakt ten behoeve van [naam dochter], dat hij over hele (school)jaren bezien ruimschoots aan de geldende onderhoudsvoorwaarde voldoet en dat grote uitgaven als voor een vakantie aan meerdere kwartalen toegerekend moeten worden. Ten slotte is namens appellant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellant over het tweede kwartaal van 2006, het eerste en vierde kwartaal van 2007 en het eerste en tweede kwartaal van 2008 geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam dochter], omdat hij toen niet in voldoende mate heeft bijgedragen in de kosten van haar levensonderhoud.

4.2.

Gedurende de in geschil zijnde kwartalen behoorde [naam dochter] niet tot het huishouden van appellant. Dit betekent dat appellant eerst aanspraak op kinderbijslag heeft, indien hij voldoet aan de bij en krachtens de AKW gestelde voorwaarde dat hij [naam dochter] toen in belangrijke mate heeft onderhouden. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer appellant een bijdrage in haar levensonderhoud heeft geleverd van ten minste een vastgesteld bedrag, dat € 386,- per kind per kwartaal bedroeg in het tweede kwartaal van 2006, € 393,- in het eerste kwartaal van 2007 en € 400,- in het vierde kwartaal van 2007 en in het eerste en tweede kwartaal van 2008. Blijkens vaste rechtspraak dient een betrokkene op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die het kind verzorgt - aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan deze voorwaarde heeft voldaan.

4.3.

Ten aanzien van het vierde kwartaal van 2007 blijkt uit de door appellant overgelegde gegevens dat hij toen via een betaalpas uitgaven heeft gedaan die volgens hem betrekking hadden op cadeaus en andere uitgaven ten behoeve van [naam dochter]. Deze betalingen voldoen niet aan de hiervoor onder 4.2 omschreven criteria, nu veelal niet blijkt welke goederen of diensten door middel van de betaalpas zijn betaald en in ieder geval niet eenvoudig controleerbaar is of deze uitgaven bestemd waren voor [naam dochter]. Hetgeen namens appellant hieromtrent is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.

Ten aanzien van de overige vier kwartalen zijn namens appellant geen bewijsstukken van betalingen ten behoeve van [naam dochter] overgelegd of blijkt uit de wel overgelegde bewijsstukken dat de uitgaven minder hebben bedragen dan de hiervoor genoemde minimaal vereiste onderhoudsbijdrage. Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2005:AU7748) dient voor de toetsing aan de onderhoudseis in beginsel uitgangspunt te zijn hetgeen in het betrokken kwartaal voor onderhoud is betaald. Tevens volgt uit die rechtspraak dat voor het toerekenen van bijdragen aan een volgend kwartaal ten minste een vast systeem van betalingen dient te bestaan waaruit valt af te leiden dat (een deel van) een bijdrage in een kwartaal niet anders dan (mede) voor een volgend kwartaal bestemd kan zijn. Verder kunnen onder omstandigheden betalingen die naar hun aard strekken voor een heel jaar, als onderhoudsbijdragen voor volgende kwartalen beschouwd worden. Uit de overgelegde gegevens blijkt geenszins van een vast systeem van betalingen van appellant op grond waarvan één of meer betalingen geheel of gedeeltelijk toegerekend kunnen worden aan één van de in geschil zijnde kwartalen. Voorts blijkt daaruit evenmin van betalingen verricht in of voor het tweede kwartaal van 2008 die naar hun aard strekken voor een heel jaar of voor een langere periode dan het betreffende kwartaal. Met de namens appellant genoemde betaling in augustus 2008 voor een vakantie van [naam dochter] kan geen rekening worden gehouden omdat deze betaling is gedaan na de in geschil zijnde kwartalen.

4.5.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan ten aanzien van de in geschil zijnde kwartalen niet slagen nu appellant de Svb, in strijd met de voor hem geldende inlichtingenplicht, niet tijdig heeft geïnformeerd over de verblijfplaats van [naam dochter]. Daardoor heeft de Svb appellant niet tijdig kunnen inlichten over de voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag voor niet tot het huishouden behorende kinderen.

4.6.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat de in hoger beroep namens appellant aangevoerde gronden niet slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en E.E.V. Lenos en

F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) S. Aaliouli

ew