Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
12-3291 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/42
ABkort 2014/28

Uitspraak

12/3291 WWB

Datum uitspraak: 17 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2012, 11/7958 en 11/8822 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 11/5841 WWB, plaatsgevonden op

27 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kellermann. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij woonde ten tijde hier van belang op het adres [adres] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding over samenwoning van appellante met een man op het uitkeringsadres heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 26 augustus 2010 op het kantoor van Werkplein Den Haag Zuidoost. Zij heeft daar een verklaring afgelegd over haar woon- en leefsituatie. Deze verklaring, opgetekend op een registratieformulier dat appellante heeft ondertekend, luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Dhr. [R.] woont sinds februari bij mij. Ik help hem nadat hij een hartinfarct heeft gehad. Ik doe boodschappen, kook en maak schoon voor ons samen. Dhr. [R.] betaalt geen huur, maar geeft soms geld voor een tramkaart e.d.”

1.3.

Naar aanleiding van deze verklaring heeft het college bij besluit van 26 augustus 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2010 beëindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met R.O. [R.] (R). Mr. Kellermann (K) heeft namens appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit en vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit van 13 december 2010, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 ongegrond is verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24 augustus 2011 het beroep tegen het besluit van 13 december 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van heden, met registratienummer 11/5841 WWB, de uitspraak van 24 augustus 2011 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 13 december 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 26 augustus 2010 herroepen.

1.4.

In de verklaring die appellante op 26 augustus 2010 heeft afgelegd, heeft het college voorts aanleiding gezien om bij besluit van 24 maart 2011 de bijstand over de periode van

9 februari 2010 tot en met 31 augustus 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 6.112,96. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in die periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met R. Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college het teruggevorderde bedrag gebruteerd en in verband daarmee verhoogd tot € 8.090,89. Het college heeft deze besluiten toegezonden aan appellante.

1.5.

K heeft op 30 mei 2011 namens appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 19 april 2011. Dit bezwaarschrift heeft het college aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 maart 2011.

1.6.

Bij besluit van 5 september 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het bezwaar na afloop van de daarvoor geldende termijn is ingediend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen, dat het college het besluit van 24 maart 2011 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door dit besluit toe te zenden aan appellante.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 betreft. Zij heeft primair aangevoerd dat het besluit van 24 maart 2011 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, omdat het college dit besluit ten onrechte niet aan K heeft toegezonden, en subsidiair dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.

In navolging van zijn uitspraak van 18 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9715, is de Raad met appellante van oordeel dat er nauwe samenhang bestaat tussen het besluit van 24 maart 2011 en het eerdere besluit van 26 augustus 2010. Gelet hierop dient K ook in de procedure met betrekking tot het besluit van 24 maart 2011 als gemachtigde van appellante te worden aangemerkt. Nu het college ervan op de hoogte was dat K optrad als gemachtigde van appellante, had het besluit van 24 maart 2011 aan K moeten worden toegezonden. Het college heeft het besluit echter uitsluitend toegezonden aan appellante zelf, zodat dit besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.3.

Vaststaat dat K pas kennis heeft gekregen van het besluit van 24 maart 2011 nadat de bezwaartermijn - zo dat besluit op 24 maart 2011 op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt - al was verstreken. Daarvan uitgaande is het op 30 mei 2011 per fax ingediende bezwaarschrift ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken.

4.4.

De rechtbank heeft hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 niet onderkend en heeft ten onrechte overwogen dat het college terecht het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 niet-ontvankelijk is verklaard, niet in stand kunnen blijven.

4.5.

De Raad is van oordeel dat een opdracht aan het college om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 te beslissen niet nodig is, aangezien op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende gegevens beschikbaar zijn om het geschil definitief te beslechten. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Het besluit van 24 maart 2011 tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.5.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.3.

Vaststaat dat appellante en R in de periode in geding, die loopt van 9 februari 2010 tot en met 31 augustus 2010, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.5.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.5.

Dat appellante zorg droeg voor R is niet in geschil. Wat betreft de zorg van R voor appellante blijkt uit de verklaring van appellante van 26 augustus 2010 en de overige stukken niet meer dan dat R appellante soms geld gaf voor een telefoon- of tramkaart en wel eens reiskosten voor haar betaalde voor een bezoek aan haar dochter in Dordrecht. De frequentie en de omvang van die bijdragen zijn onbekend. Het had op de weg van het college gelegen hierover meer duidelijkheid te verkrijgen. Dat R appellante hielp door voor haar te tolken, zoals het college stelt, vindt geen steun in de stukken. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat het college appellante en/of R verder heeft bevraagd over andere feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat R voorzag in zorg voor appellante. Dat R appellante soms geld voor een telefoon- of tramkaart gaf, wel eens reiskosten voor haar betaalde en appellante in mei 2010 een keer naar het ziekenhuis heeft gebracht, is niet van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van zorg van R voor appellante in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Dit betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode in geding werd voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4.5.6.

Uit 4.5.5 volgt dat het besluit van 24 maart 2011 berust op een onhoudbaar gebleken grondslag. Gelet op het tijdsverloop is niet aannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De Raad ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 24 maart 2011 te herroepen.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 472,- in bezwaar, € 472,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 september 2011 voor zover

daarbij het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 niet-ontvankelijk is verklaard;

- herroept het besluit van 24 maart 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 september 2011;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD