Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
13-5966 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag om bijstand. Verzoeker heeft geen medewerking verleend aan een huisbezoek.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 11
Participatiewet 17
Participatiewet 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/24

Uitspraak

13/5966 WWB-VV-PV, 13/4792 WWB

Datum uitspraak: 12 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Zitting heeft: J.P.M. Zeijen

Griffier: O.P.L. Hovens

Ter zitting van 10 december 2013 zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door

T.M. van Angeren, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.E.C. Botman.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Het college heeft bij besluit van 27 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit), de aanvraag van verzoeker van 26 februari 2013 om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat verzoeker geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek op 27 mei 2013 op het door hem bij de aanvraag opgegeven woonadres [adres] te [woonplaats] (woonadres), waardoor zijn woonsituatie onduidelijk is en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van

6 augustus 2013, 13/2880 en 13/3681 (aangevallen uitspraak) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Namens verzoeker heeft mr. Van Angeren op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter verenigt zich, anders dan verzoeker, met de overwegingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank en het daaraan verbonden oordeel dat in dit geval een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op 27 mei 2013. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften over de door de bestuursrechter te beoordelen periode van 26 februari 2013 tot en met 27 mei 2013 komt naar voren dat alle contante geldopnames en andere pintransacties van verzoeker hebben plaatsgevonden in [plaatsnaam]. Op 27 mei 2013 heeft verzoeker daarover tegenover een bijzondere controleur van het college verklaard dat hij met de trein naar [plaatsnaam] reist om te pinnen, dat hij veelvuldig in [plaatsnaam] bij kennissen en familie verblijft, in [plaatsnaam] solliciteert en alleen de nachten doorbrengt op zijn woonadres, omdat hij zijn broer en schoonzus, bij wie hij inwoont, niet tot last wil zijn. Het college heeft onder deze omstandigheden redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van het door verzoeker opgegeven woonadres.

Anders dan verzoeker stelt, kon het college zich onder deze omstandigheden op het standpunt stellen dat verificatie van de woonsituatie van verzoeker door middel van een huisbezoek noodzakelijk was, en wel onmiddellijk na het gesprek met verzoeker op 27 mei 2013, gelet op de mogelijkheden om daarin wijzigingen aan te brengen waardoor het huisbezoek als controlemiddel zijn effectiviteit zou hebben verloren.

Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7234) in de risicosfeer van betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Verzoeker kan dan ook worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan een - onmiddellijk na het gesprek op 27 mei 2013 - af te leggen huisbezoek. Dat verzoeker, zoals hij stelt, voor het huisbezoek eerst toestemming van zijn broer wilde hebben en zijn broer vanwege zijn werkzaamheden in het casino niet telefonisch bereikbaar was, zijn geen omstandigheden van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het college om onmiddellijk het woonadres van verzoeker te verifiëren zou moeten wijken.

De voorzieningenrechter komt met de voorzieningenrechter van de rechtbank tot de slotsom dat het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(get.) O.P.L. Hovens (get.) J.P.M. Zeijen

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD