Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
12-35 WUBO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De adviezen van Roelofs en Maas, ook in onderling verband bezien, zijn niet toereikend om het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt te kunnen dragen. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom appellante niet in de vereiste twee rubrieken zodanig is beperkt dat moet worden gesproken van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 17, zesde lid, van de Beroepswet verweerder op te dragen de genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/35 WUBO-T

Datum uitspraak: 19 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2011, kenmerk BZ01304770 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

1.1.

Appellante, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in maart 2010 bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van de Wubo.

1.2.

Bij besluit van 31 december 2010 is hierop afwijzend beslist. Erkend is dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten internering in kamp Tawangsari te Lawang tijdens de Bersiap-periode. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Volgens verweerder staan de door appellante ondervonden lichamelijke klachten niet in verband met het door haar meegemaakte oorlogsgeweld. Deze klachten zijn door andere oorzaken ontstaan. De psychische klachten staan wel in verband met het bedoelde oorlogsgeweld. Deze klachten hebben echter niet geleid tot blijvende invaliditeit, aldus verweerder.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 31 december 2010 ongegrond verklaard. Verweerder is op het standpunt blijven staan dat er bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Weliswaar erkent verweerder thans dat er bij appellante sprake is van geringe tot matige beperkingen in het onderhouden van sociale contacten. Er is echter geen sprake van in aanmerking te nemen beperkingen op het vlak van de stressadaptatie, aldus verweerder.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo is volgens het beleid van verweerder sprake als de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, te weten (1) dagelijkse activiteiten, (2) sociaal functioneren, (3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en (4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (CRvB 27 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:767).

2.2.

Verweerder heeft appellante naar aanleiding van haar aanvraag laten onderzoeken door de psychiater A. Novac. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante lijdt aan een angststoornis NAO en als gevolg daarvan matig beperkt is in de AMA rubrieken 2 en 4. Wat betreft het bestaan van deze beperkingen heeft verweerders geneeskundig adviseur, de arts

R.J. Roelofs, Novac niet gevolgd. Het bezwaar van appellante is door verweerder om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft Novac gevraagd een aantal aanvullende vragen te beantwoorden. Maas heeft vervolgens geconcludeerd dat thans, gezien - ook - de uitleg van Novac, ervan moet worden uitgegaan dat er causale, gering tot matige, beperkingen zijn in het onderhouden van sociale contacten. In rubriek 4 is volgens Maas van in aanmerking te nemen beperkingen echter geen sprake. Gezien het actuele functioneren van appellante waarbij per week hooguit gedurende een uur sprake is van angstklachten, kan de stressadaptatie niet als gestoord worden beschouwd, aangezien appellantes algehele doen en laten hierdoor niet of nauwelijks wordt beïnvloed, aldus Maas.

2.3.1.

Verweerder heeft met het bestreden besluit de visie van zijn geneeskundig adviseur Maas onderschreven en is daarmee afgeweken van het oordeel van de door hem geraadpleegde deskundige psychiater Novac. De Raad heeft al meermalen uitgesproken dat verweerder niet verplicht is het oordeel van een door hem geraadpleegde deskundige te volgen. In het geval van uiteenlopende standpunten, ligt het in verband met de te betrachten zorgvuldigheid dan wel op de weg van verweerder of zijn geneeskundig adviseurs om contact op te nemen met bedoelde deskundige om over de standpunten te overleggen (CRvB 25 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7987).

2.3.2.

Psychiater Novac heeft op basis van het door hem in december 2010 bij appellante verrichte onderzoek onder meer gesteld dat er bij appellante sprake is van “golven van angst”, die telkens tot een uur aanhouden. Daarnaast heeft Novac bij de bespreking van de in aanmerking te nemen beperkingen in de rubriek aanpassing aan stressvolle omstandigheden aangegeven dat appellante moeilijkheden ondervindt wanneer zij met tijdsdruk wordt geconfronteerd en door anderen wordt opgejaagd. De Raad is, met appellante, van oordeel dat uit de adviezen van verweerders geneeskundig adviseurs niet voldoende duidelijk en overtuigend blijkt op grond waarvan zij tot de conclusie zijn gekomen dat appellantes algehele doen en laten hierdoor niet of nauwelijks wordt beïnvloed en waarom zo op het hier aan de orde zijnde punt van het - zwaarwegende - oordeel van Novac is afgeweken. Roelofs en Maas hebben zich bij hun oordeelsvorming kennelijk in hoofdzaak laten leiden door het door hen benadrukte, aan het rapport van Novac ontleende, gegeven dat appellante als gevolg van haar pensionering niet meer werd geconfronteerd met uit het werk voortvloeiende spanningen. Aan Novac is echter niet - gericht - de vraag voorgelegd op welke gronden hij ondanks dit gegeven tot de conclusie is gekomen dat appellante (ook) in de rubriek aanpassing aan stressvolle omstandigheden matig beperkt moet worden geacht. Dit was in dit geval, mede gezien de stellige conclusies van de keurend psychiater, zeker aangewezen. Voor zover Roelofs en Maas zich op het standpunt hebben gesteld dat de angststoornis, nu deze zich volgens Novac beperkt (gemiddeld een keer per week) voordoet, niet het niveau bereikt van (relevante) beperkingen op het vlak van stressadaptatie, geldt dat het ook op dit punt op de weg van verweerder had gelegen om Novac nader te bevragen. Dit klemt te meer nu Novac de “golven van angst” en de reactie op tijdsdruk als twee van elkaar te onderscheiden problemen heeft omschreven.

2.4.

Uit 2.3.1 en 2.3.2 volgt dat de adviezen van Roelofs en Maas, ook in onderling verband bezien, niet toereikend zijn om het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt te kunnen dragen. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom appellante niet in de vereiste twee rubrieken zodanig is beperkt dat moet worden gesproken van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.5.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 17, zesde lid, van de Beroepswet verweerder op te dragen de genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

2.6.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op dit verzoek zal de Raad bij de einduitspraak beslissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 25 november 2011 te herstellen overeenkomstig de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

R.E. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

IJ