Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
11-7340 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een aanvullende regeling. De berekening van de pensioenschade die het ABP in 2009 heeft gedaan is een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Zonder meer duidelijk is echter dat die berekening niet van belang kan zijn voor het besluit van 1 juni 2006, reeds omdat die berekening is gebaseerd op de regelgeving zoals die in 2009 gold. Hier komt bij dat appellant het ABP ook in 2006 om een berekening had kunnen vragen. Geen zeer bijzondere omstandigheden. De rechtbank is terecht voorbij gegaan aan de omstandigheid dat in een ambtelijke adviesnota aanvankelijk een voorstel is gedaan voor een aanvullende koopsomregeling. Dat voorstel is immers door appellant verworpen en nimmer ter besluitvorming voorgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/86
ABkort 2014/25

Uitspraak

11/7340 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

23 november 2011, 11/471 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vught (college)

Datum uitspraak: 19 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Rasker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rasker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op [in] 1945, was sinds 1981 werkzaam bij de gemeente Vught. In oktober 1996 hebben appellant en het college een regeling getroffen die onder meer inhield dat appellant geacht werd te hebben verzocht om FPU-ontslag per 1 juli 2006, dat hij werd vrijgesteld van de verplichting om arbeid voor de gemeente te verrichten en dat zijn mogelijke pensioenschade zou worden vergoed. Ter uitvoering van deze regeling is het college bij besluit van 1 juni 2006 akkoord gegaan met het compenseren van de pensioenschade van appellant door middel van een koopsompolis die strekt tot een levenslange maandelijkse uitkering aan appellant van € 207,- bruto met ingang van 1 juli 2010. Het aanvraagformulier voor deze koopsompolis heeft appellant op 14 juni 2006 als verzekeringnemer ondertekend.

1.2. Bij brief van 25 mei 2009 heeft appellant het college verzocht om een aanvullende regeling te treffen, omdat de getroffen voorziening volgens berekeningen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) niet toereikend zou zijn om zijn pensioenschade volledig te compenseren. Nadat een voorstel van het college om een aanvullende koopsompolis voor appellant af te sluiten op niets was uitgelopen, heeft de gemachtigde van appellant het verzoek om een aanvullende regeling bij brief van 25 mei 2010 herhaald.

1.3. Bij besluit van 29 juli 2010 heeft het college dit verzoek afgewezen met verwijzing naar het naar zijn opvatting in rechte onaantastbaar geworden besluit van 1 juni 2006. Het college heeft aangevoerd dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een ander oordeel. De door het ABP berekende pensioenschade die appellant aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, bevat meer componenten dan de pensioenschade in de zin van de met appellant getroffen regeling.

1.4. Bij besluit van 12 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2010 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan dit oordeel ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Het verzoek van appellant moet worden beschouwd als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft in het midden gelaten of de berekening van het ABP moet worden aangemerkt als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb, omdat niet vaststaat dat, uitgaande van de pensioenvoorschriften zoals die golden ten tijde van het treffen van de regeling in 1996, de pensioenschade in belangrijke mate hoger is dan het bedrag dat het college bij de uitvoering van de regeling in 2006 heeft gehanteerd. Het college heeft dan ook redelijkerwijs kunnen komen tot zijn weigering om het pensioenschadebesluit te herzien.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met de in 2006 getroffen regeling niet heeft beoogd om zijn pensioenschade definitief te regelen. Hij heeft benadrukt dat zijn pensioenschade groter is dan in 2006 is aangenomen en dat het college daarom een aanvullende regeling had moeten treffen. Hij betwist dat de uitvoering van de in 1996 getroffen regeling in rechte onaantastbaar is geworden. Appellant heeft verder gesteld dat de rechtbank aandacht had moeten besteden aan het voorstel van het college om voor hem een aanvullende koopsompolis af te sluiten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het college het verzoek van appellant van 26 mei 2009 terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juni 2006. Het besluit van 1 juni 2006, de e-mail van 14 juni 2006 over de koopsompolis en het door appellant op 14 juni 2006 ondertekende formulier bieden geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat partijen hiermee geen definitieve uitvoering hebben gegeven aan de onder 1.1 vermelde minnelijke regeling uit 1996. Voor zover appellant in 2006 niet heeft beoogd een definitieve regeling te treffen voor zijn pensioenschade, had het op zijn weg gelegen dit aan het college kenbaar te maken. Appellant heeft dit niet gedaan en heeft zich akkoord verklaard met de ten behoeve van hem afgesloten koopsompolis. Nu het besluit van 1 juni 2006 in rechte onaantastbaar is geworden, heeft het college het verzoek van appellant van 26 mei 2009 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juni 2006.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De berekening van de pensioenschade die het ABP in 2009 heeft gedaan is een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Zonder meer duidelijk is echter dat die berekening niet van belang kan zijn voor het besluit van 1 juni 2006, reeds omdat die berekening is gebaseerd op de regelgeving zoals die in 2009 gold. Hier komt bij dat appellant het ABP ook in 2006 om een berekening had kunnen vragen. Zeer bijzondere omstandigheden die het college in het onderhavige geval tot een andere beslissing zouden hebben moeten brengen, zijn niet gesteld.

4.4.

De rechtbank is terecht voorbij gegaan aan de omstandigheid dat in een ambtelijke adviesnota aanvankelijk een voorstel is gedaan voor een aanvullende koopsomregeling. Dat voorstel is immers door appellant verworpen en nimmer ter besluitvorming voorgelegd.

4.5.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en E.J.M. Heijs en

J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

ew