Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
10-6387 WMO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:5801, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voorziening van collectief vervoer in een concreet geval, gezien de vervoersbehoefte en persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, zou geen compenserende voorziening kunnen zijn. Dat geval doet zich hier echter niet voor, nu aan betrokkene niet alleen collectief vervoer, maar tevens een scootmobiel is toegekend. Er zijn geen aanknopingspunten dat betrokkene daarmee niet adequaat in zijn vervoersbehoefte kan voorzien. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/35
JWWB 2014/42
RSV 2014/45

Uitspraak

10/6387 WMO, 13/3628 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 oktober 2010, 10/1789 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het bestuur van het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door I. de Vries-Kromhout. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

Ter zitting heeft appellant een nieuw besluit van 4 januari 2011 overgelegd. De Raad heeft het onderzoek heropend. Betrokkene is in de gelegenheid gesteld zijn standpunt over dit besluit kenbaar te maken. Appellant heeft hierop gereageerd.

De Raad heeft met toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterweg blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ondervindt beperkingen ten gevolge van een degeneratieve locomotore aandoening.

1.2.

Bij besluit van 11 september 2008 heeft appellant betrokkene in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 oktober 2008 tot en met

31 december 2008 in aanmerking gebracht voor een individuele kilometervergoeding omdat hij geen gebruik kon maken van het aanvullend openbaar vervoer. Bij een herbeoordeling in september/november 2009 heeft een medisch adviseur van de GGD Rotterdam-Rijnmond vastgesteld dat de beperkingen van betrokkene geen belemmeringen opleveren bij het gebruik van de voorziening aanvullend openbaar vervoer.

1.3.

Bij besluit van 9 december 2009 heeft appellant betrokkene kennis gegeven van zijn standpunt dat betrokkene weer in staat is om met de Regiotaxi te reizen. Hij heeft betrokkene voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 recht op reizen met de Regiotaxi tegen Wmo-tarief toegekend, evenals een financiële tegemoetkoming van maximaal € 275,-, te betalen op basis van declaratie van werkelijk gemaakte reiskosten met de Regiotaxi of Valys.

1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft appellant onderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 2 februari 2010. Uit dit rapport blijkt dat betrokkene en zijn echtgenote een auto hebben. Betrokkene heeft verklaard door beëindiging van de individuele kilometervergoeding genoodzaakt te zijn minder met de auto te reizen. Naast het vervoer met de auto maakt betrokkene gebruik van een in bruikleen verstrekte scootmobiel.

1.5.

Bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van persoonskenmerken en behoeften die een individuele vervoersvoorziening noodzakelijk maken. Met de scootmobiel en de mogelijkheid om te reizen met de Regiotaxi wordt betrokkene voldoende gecompenseerd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de omstandigheid dat betrokkene over een auto beschikt en voor zijn verplaatsing afhankelijk is van een combinatie van vervoersvoorzieningen (scootmobiel en de Regiotaxi) niet betrokken bij de beantwoording van de vraag of de toekenning van collectief vervoer in het geval van betrokkene de zelfredzaamheid bevordert. Uit het rapport van 2 februari 2010 blijkt niet hoe deze omstandigheden zich verhouden tot de bevordering van de zelfredzaamheid van betrokkene door toekenning van collectief vervoer. Appellant heeft het bestreden besluit hiermee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ervan is uitgegaan dat betrokkene voor zijn verplaatsingen niet alleen afhankelijk is van de scootmobiel en het aanvullend openbaar vervoer, maar ook gebruik kan blijven maken van zijn auto. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte als criterium heeft gehanteerd dat de voorziening de zelfredzaamheid van betrokkene moet bevorderen in plaats van het behouden òf bevorderen van de zelfredzaamheid en de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Door toekenning van de collectieve vervoersvoorziening wordt de zelfredzaamheid van betrokkene bevorderd. Betrokkene kan daardoor onafhankelijk van zijn partner reizen en zijn scootmobiel meenemen.

4.1.

Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 4 januari 2011 heeft appellant het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en voor de periode

1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 een financiële tegemoetkoming toegekend van maximaal € 1.015,- op declaratiebasis. Dit geldt eveneens voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de van belang zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

5.1.

De Raad stelt voorop dat de tevens aan betrokkene toegekende financiële tegemoetkoming moet worden aangemerkt als een collectieve vervoersvoorziening in de zin van artikel 23 onder c van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nieuwe Waterweg Noord 2008 (Verordening) nu deze tegemoetkoming, naar ter zitting door de gemachtigde van appellant is verklaard, uitsluitend mag worden besteed aan de Regiotaxi of het vervoerssysteem Valys. Dit betekent dat het in artikel 25 van de Verordening bedoeld primaat van het collectief vervoer niet alleen betrekking heeft op de toegekende aanspraak om van het collectief vervoer gebruik te kunnen maken, maar ook op deze financiële tegemoetkoming.

5.2.

Appellant heeft in het rapport van 2 februari 2010 een beschrijving gegeven van de door hem geïnventariseerde vervoersbehoefte en persoonskenmerken van betrokkene, waaronder het feit dat betrokkene voor zijn vervoer gebruik maakt van een eigen auto. Appellant heeft zich rekenschap van gegeven van de door betrokkene aangevoerde omstandigheid dat deze door de beëindiging van de individuele kilometervergoeding minder kan reizen met de auto. Appellant heeft tevens in aanmerking genomen dat betrokkene ook gebruik kan maken van het collectief vervoer en de hem tevens toegekende scootmobiel. De Raad volgt de rechtbank, gelet hierop, niet in haar oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene medisch in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer. Het in de Verordening neergelegde primaat van het collectief vervoer, inhoudende dat een aanvrager niet in aanmerking komt voor een andere vervoersvoorziening indien collectief vervoer voor hem medisch gezien geschikt is, komt naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld r.o. 4.9. van CRvB 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:2504) als zodanig niet in strijd met het in artikel 4 van de WMO neergelegde compensatiebeginsel. Dit laat onverlet dat een voorziening van collectief vervoer in een concreet geval, gezien de vervoersbehoefte en persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, geen compenserende voorziening zou kunnen zijn. Dat geval doet zich hier echter niet voor, nu aan betrokkene niet alleen collectief vervoer, maar tevens een scootmobiel is toegekend. Er zijn geen aanknopingspunten dat betrokkene daarmee niet adequaat in zijn vervoersbehoefte kan voorzien. Aan de vraag of aan betrokkene in plaats van deze combinatie van voorzieningen (bijvoorbeeld r.o. 5.3 van CRvB 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:2500) een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) had moeten worden aangeboden, komt de Raad niet toe, reeds omdat betrokkene, naar appellant onweersproken heeft verklaard, zijn scootmobiel niet wenst op te geven voor een pgb. Hiermee is gegeven van het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd.

5.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.5.

Het nieuwe besluit van 4 januari 2011 wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:24 gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het onderhavige geding. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking, aangezien de opdracht van de rechtbank aan appellant om een nieuw besluit te nemen, gegrond is op haar onjuiste oordeel dat het bestreden besluit rechtens niet houdbaar is. Ten overvloede wordt nog overwogen dat appellant ter zitting heeft meegedeeld dat de tegemoetkomingen die uit hoofde van het nadere besluit zijn verstrekt, niet van betrokkene zullen worden teruggevorderd.

5.6.

Gelet op wat is overwogen onder 5.3 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 1 april 2010 ongegrond;

  • -

    vernietigt het nadere besluit van 4 januari 2011.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.R. Schuurman

QH