Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
11-4416 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende verantwoording van het pgb over het jaar 2008. Terugvordering. De rechtbank heeft de in beroep overgelegde stukken ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget ten onrechte buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante met inachtneming van deze nadere stukken beoordelen. De Raad is met het college van oordeel dat appellante met de nadere onderbouwing er niet in is geslaagd te verantwoorden dat het nu nog in geschil zijnde bedrag van € 2.694,- is besteed aan huishoudelijke verzorging. Niet alleen is niet gebleken dat is gefactureerd overeenkomstig de door het college gestelde voorschriften, ook is geen enkel bewijs van betaling overgelegd. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/36
RSV 2014/44
JWWB 2014/46
AB 2014/150

Uitspraak

11/4416 WMO

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 juni 2011, 11/99 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.M. de Waard hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.F. Vermaat, kantoorgenoot van mr. De Waard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluiten van 11 december 2007, 12 juni 2008 en 7 oktober 2008 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 3 augustus 2009 een voorlopig persoonsgebonden budget toegekend voor hulp bij het huishouden (klasse 4). In een bijlage bij deze besluiten zijn de verplichtingen opgenomen die aan het persoonsgebonden budget (pgb) zijn verbonden. Daarbij is aangegeven dat de budgethouder zorgt dient te dragen voor een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener en dat met de zorgverzekeraar wordt afgesproken dat deze een declaratie indient uiterlijk zes weken na de maand waarin de zorg is verleend. Op deze declaraties moet worden vermeld het aantal betaalde uren, de tijden waarop is gewerkt, het uurtarief, het burgerservicenummer en de naam en het adres van de zorgverlener.

1.2.

Bij brief van 1 april 2010 heeft het college appellante verzocht in het kader van de verantwoording van het pgb over het jaar 2008 betalingsbewijzen aan het college toe te sturen. Verder is daarbij aangegeven dat bij nader onderzoek van de zorgovereenkomst is gebleken dat deze niet is ondertekend door de zorgverlener, maar door de eigenaar van de firma [naam firma] de heer[naam V.]. Het college heeft appellante verzocht een nieuwe zorgovereenkomst met daarop de gegevens van de zorgverlener toe te sturen. Bij brief van 29 april 2010 heeft het college appellante een herinnering gestuurd omdat de verzochte informatie nog niet is ontvangen. Daarbij is aangegeven dat indien twee weken na de datum van de brief nog geen reactie is ontvangen, tot terugvordering zal worden overgegaan.

1.3.

Bij brief van 13 mei 2010 heeft appellante een factuur van de [naam firma] overgelegd voor huishoudelijke werkzaamheden in 2008. Daarbij is aangegeven dat geen nieuwe zorgovereenkomst wordt verstuurd omdat[naam V.], firmant van de [naam firma], de huishoudelijke werkzaamheden zelf heeft verricht. Op de factuur van 30 december 2008 van het Timmerbedrijf [naam firma] is een bedrag van € 7.609,75 is gefactureerd voor:

“Werkzaamheden aan uw perceel[naam perceel]. Huishoudelijke werkzaamheden betreffende periode 4 januari tot en met 31 december.”

1.4.

Bij besluit van 18 juni 2010 heeft het college de hiervoor onder 1.1 genoemde besluiten ingetrokken op de grond dat appellante niet aan haar verplichting tot verantwoording heeft voldaan. Het college heeft aangegeven dat appellante wel een factuur heeft overgelegd maar geen betalingsbewijzen waaruit blijkt dat deze factuur is voldaan. Bij dit besluit is verder het aan appellante uitbetaalde pgb tot een bedrag van € 7.694,- van haar teruggevorderd.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juni 2010 heeft het college appellante bij brief van 23 augustus 2010 een laatste mogelijkheid geboden om binnen tien werkdagen nader te verantwoorden. Daarbij is aangegeven dat indien appellante van deze gelegenheid geen gebruik maakt haar bezwaar ongegrond wordt verklaard.

1.6.

Bij besluit van 30 november 2010 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juni 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante niet aan haar verplichting tot verantwoording van het pgb heeft voldaan. Uit de factuur van de [naam firma] kan niet worden afgeleid welke werkzaamheden zijn uitgevoerd in het kader van huishoudelijk werk. Ook uit het door appellante in bezwaar nog overgelegde bankafschrift waaruit een betaling van € 5.000,- aan de [naam firma] blijkt, kan niet worden opgemaakt dat het pgb is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt.

1.7.

Appellante heeft tegen het besluit van 30 november 2010 beroep ingesteld. Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college het besluit van 30 november 2010 ingetrokken op de grond dat in dit besluit ten onrechte een belangenafweging ontbreekt. Het college heeft vervolgens gemotiveerd aangegeven dat het belang van de gemeente bij terugvordering van het pgb in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van appellante bij het behoud van het pgb.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 november 2010 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van

11 februari 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de door het college gevraagde nadere informatie nodig was voor de beoordeling van de verantwoording van het aan appellante toegekende pgb. Appellante heeft de gevraagde informatie niet binnen de door het college geboden hersteltermijn overgelegd, zodat het college bevoegd was tot intrekking over te gaan. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de alsnog in beroep overgelegde nadere informatie niet maakt dat het bestreden besluit als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Het college is vrij om de in beroep overgelegde stukken alsnog te beoordelen en terug te komen op het bestreden besluit maar dit is niet rechtens afdwingbaar.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat tijdens de beroepsprocedure nadere stukken zijn overgelegd ten aanzien van de verantwoording van de besteding van haar pgb, maar dat deze ten onrechte door de rechtbank niet zijn meegenomen in de beoordeling. Daarbij heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7149, en een vergelijking gemaakt met zaken op grond van de Wet werk en bijstand, waarbij zowel in beroep als in hoger beroep bijvoorbeeld nog kan worden aangetoond dat voldoende is gesolliciteerd.

3.2.

Het college heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college niet is gehouden de in beroep overgelegde bewijsstukken ten aanzien van de verantwoording alsnog te beoordelen. Appellante is in de bezwaarfase voldoende in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens met betrekking tot de verantwoording te overleggen. Voor zover de Raad anders dan de rechtbank van oordeel zou zijn dat in beroep overgelegde gegevens wel bij de beoordeling hadden moeten worden betrokken, stelt het college zich op het standpunt dat ook met de in de beroepsfase overgelegde gegevens de verantwoording van het pgb nog altijd niet volledig is. Als de in de beroepsfase overgelegde gegevens worden meegenomen is er slechts aanleiding een bedrag van € 5.000,- als verantwoord te accepteren en niet het volledige bedrag van € 7.694,-.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college bevestigd dat uit coulance alsnog een bedrag van € 5.000,- als verantwoord is geaccepteerd, zodat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de terugvordering van € 2.694,-. Het college stelt zich primair op het standpunt dat appellante tot uiterlijk in de bezwaarfase bewijsstukken voor de verantwoording van de besteding van het pgb huishoudelijke verzorging kan aanleveren. De rechtsstrijd tussen partijen in beroep en in hoger beroep kan uitsluitend nog gaan over de bewijskracht van het voorafgaand aan de beslissing op bezwaar overgelegde bewijs. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat deze procedurele regel niet is opgenomen in de Verordening voorzieningenmaatschappelijke ondersteuning of in de Nadere regels algemene vervoersvoorzieningen en individuele voorzieningen Wmo, zodat sprake is van een vaste gedragslijn van het college. Het college stelt zich ter rechtvaardiging van deze procedurele regel op het standpunt dat het voor de uitvoeringspraktijk noodzakelijk is dat de administratie van een pgb op een bepaald moment kan worden afgesloten.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank, dat een nadere verantwoording in beroep niet tot gevolg kan hebben dat het bestreden besluit alsnog als onrechtmatig kan worden aangemerkt, berust op een onjuist uitgangspunt. De rechtbank lijkt ervan uit te gaan dat - in het onderhavige geval feitelijke - beroepsgronden die niet eerder als bezwaargrond zijn aangevoerd, alsook bewijsmiddelen die niet in de bezwaarfase zijn ingebracht, niet bij de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit mogen worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer ook neergelegd in de uitspraak van de Raad van

29 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU9004, staat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel eraan in de weg om in beroep bewijsmiddelen in het geding te brengen waarmee het bestuursorgaan bij het nemen van het in beroep bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden. Dit kan anders zijn, indien een wettelijk voorschrift regels stelt over het tijdstip tot waarop in het kader van de primaire bestuurlijke besluitvorming of in het kader van de bestuurlijke heroverweging bewijsmiddelen kunnen worden ingebracht en ook indien het inbrengen van bewijsmiddelen in beroep in een zodanig laat stadium geschiedt dat dit in strijd met de goede procesorde moet worden geacht. Beide situaties doen zich hier echter niet voor. Van een wettelijk voorschrift in vorenbedoelde zin is geen sprake zodat het college niet bevoegd is een vaste gedragslijn als de onderhavige te volgen.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de in beroep overgelegde stukken ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante met inachtneming van deze nadere stukken beoordelen. De Raad is met het college van oordeel dat appellante met de nadere onderbouwing er niet in is geslaagd te verantwoorden dat het nu nog in geschil zijnde bedrag van € 2.694,- is besteed aan huishoudelijke verzorging. Niet alleen is niet gebleken dat is gefactureerd overeenkomstig de door het college gestelde voorschriften, ook is geen enkel bewijs van betaling overgelegd. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5.

De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 944,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 944,- voor verleende rechtsbijstand;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.R. Baas

TM