Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-6040 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) overname van betalingsverplichtingen werkgever(s). Appellante heeft eerst bij gelegenheid van de beëindiging van haar dienstverband met werkgeefster 1 afspraken met werkgeefster 1 gemaakt over de betaling van het achterstallige loon. De enige schriftelijke aanmaning die zich bij de stukken bevindt, is een brief van 12 mei 2009 van haar rechtshulpverlener waarbij werkgeefster 2 is gesommeerd de afgesproken betalingen uit de vaststellingsovereenkomst te verrichten. Aldus heeft appellante onvoldoende voortvarend en gericht actie ondernomen. Het gedeeltelijk onbetaald gebleven loon over de maanden februari en maart 2009 is daarom terecht niet overgenomen, maar het Uwv heeft dat besluit gebaseerd op een onjuiste juridische grondslag.

Voor zover het (hoger) beroep van appellante was gericht op het niet overnemen van de beëindigingsvergoeding geldt daarvoor dat de rechtbank daarover bij de uitspraak van 27 april 2011 heeft geoordeeld dat het Uwv die vergoeding terecht niet heeft overgenomen. Appellante heeft dat oordeel niet aangevochten, zodat dit oordeel in rechte onaantastbaar is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/55

Uitspraak

12/6040 WW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 oktober 2012, 12/108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv is bij die gelegenheid vertegenwoordigd door

mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 3 december 2007 in dienst getreden van [naam B.V.]([B.V.]) tegen een salaris van € 2.850,- bruto per maand. [B.V.] heeft appellante structureel een salaris van € 2.475,- bruto betaald. Op 24 maart 2009 hebben appellante en [B.V.] een vaststellingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) gesloten waarin zij zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2009 eindigt. Verder is overeengekomen dat [B.V.] een beëindigingsvergoeding van € 1.336,50 zal betalen. Ten slotte is bepaald dat [B.V.] het volledige achterstallige salaris zal voldoen. [B.V.] is de overeenkomst niet nagekomen en heeft na 1 april 2009 geen betalingen meer aan appellante gedaan.

1.2. Op 6 oktober 2009 is [werkgeefster.B.V.] ([werkgeefster 1]) failliet verklaard. [werkgeefster 2] wordt door partijen vanwege een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:663 van het Burgerlijk Wetboek beschouwd als de rechtsopvolgster van [B.V.]. In verband met dat faillissement heeft appellante op 14 oktober 2009 bij het Uwv een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering.

1.3. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het Uwv de salarisbetaling over de maand april 2009, vakantietoeslag, vakantiedagen en een pensioenbijdrage overgenomen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Zij was van mening dat het Uwv de beëindigingsvergoeding en het door [B.V.] niet nabetaalde salaris vóór 1 april 2009 ook had moeten overnemen. Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2010 heeft het Uwv het besluit van 3 november 2009 gehandhaafd, daarbij onder meer stellende dat appellante onvoldoende voortvarend had gehandeld om haar vorderingen betaald te krijgen.

1.4. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2010. Bij uitspraak van 27 april 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden had geweigerd de beëindigingsvergoeding over te nemen. De rechtbank was echter tevens van oordeel dat het Uwv ten aanzien van de overige vorderingen van appellante onvoldoende onderzoek had verricht naar het moment waarop de betalingsonmacht van werkgeefster was ingetreden. Partijen hebben tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv opnieuw beslist op het bezwaar van appellante. Het Uwv heeft zich hierin op het standpunt gesteld dat de betalingsonmacht van [werkgeefster 2] is ingetreden op 2 april 2009. De aanvraag om de faillissementsuitkering heeft appellante gedaan op 14 oktober 2009, hetgeen meer dan

26

weken na de betalingsonmacht is. Van bijzondere omstandigheden was volgens het Uwv niet gebleken, om welke reden het Uwv, onder verwijzing naar artikel 62, derde lid, van de WW, de aanvraag heeft afgewezen. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat de bedragen die eerder waren betaald, niet van appellante worden teruggevorderd.

2.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard en het standpunt van het Uwv onderschreven. De rechtbank oordeelde dat in voldoende mate was komen vast te staan dat de betalingsonmacht van werkgeefster reeds op 2 april 2009 was ingetreden. De rechtbank oordeelde voorts dat appellante niet reeds in mei 2009 (telefonisch) een aanvraag om een faillissementsuitkering had gedaan.

3.

In hoger beroep heeft appellante erop gewezen dat [werkgeefster 2] op 6 oktober 2009 failliet is verklaard en dat zij op 14 oktober 2009, en dus tijdig, een aanvraag om een faillissementsuitkering heeft gedaan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt nog toegevoegd artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, waarin is bepaald dat geen recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV heeft de werknemer wiens dienstbetrekking reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, tenzij de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantietoeslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.

4.2.

Uit de voorhanden zijnde gegevens valt af te leiden dat door [B.V.] en [werkgeefster 2] na

2 april 2009 geen activiteiten meer zijn ontwikkeld. De dienstverbanden met de werknemers zijn, met uitzondering van appellante, per 31 maart 2009 beëindigd en de aandelen van [B.V.] zijn aan [werkgeefster 2] verkocht. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat sprake was van betalingsonmacht van [werkgeefster 2] op die datum. Dit wordt bevestigd door de notities die een medewerker van het Uwv heeft gemaakt van telefoongesprekken met de curator van [werkgeefster 2]. Daarin is opgetekend dat het onduidelijk is of er vanaf 2 april 2009 sprake was van een situatie van betalingsonmacht. Verder blijkt daaruit dat niet is te controleren of na

2 april 2009 nog betalingen zijn gedaan, omdat de boekhouding ‘mee is overgegaan’. Bij gebreke van verdere gegevens over de financiële situatie van [werkgeefster 2] wordt er daarom van uitgegaan dat de betalingsonmacht van werkgeefster is ingetreden op 6 oktober 2009, de datum van het faillissement, omdat eerst op dat moment buiten twijfel was dat werkgeefster heeft opgehouden te betalen.

4.3.

Aangezien appellante haar aanvraag om een faillissementsuitkering op 14 oktober 2009 heeft gedaan, is deze aanvraag tijdig ingediend. In zoverre slaagt het hoger beroep. Bezien dient vervolgens te worden of en welke aanspraken het Uwv dient over te nemen.

4.4.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 11 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6785) geldt voor de toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, dat van een werknemer wiens dienstverband reeds was geëindigd voordat de werkgever failliet was verklaard, wordt verlangd dat hij voortvarend en gericht actie onderneemt om onbetaalde aanspraken geldend te maken. Als dat niet het geval is geweest, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat de gestelde rechten uitsluitend niet te gelde kunnen worden gemaakt door het faillissement van de werkgever.

4.5.

Appellante heeft eerst bij gelegenheid van de beëindiging van haar dienstverband met [B.V.] afspraken met [B.V.] gemaakt over de betaling van het achterstallige loon. De enige schriftelijke aanmaning die zich bij de stukken bevindt, is een brief van 12 mei 2009 van haar rechtshulpverlener waarbij [werkgeefster 2] is gesommeerd de afgesproken betalingen uit de vaststellingsovereenkomst te verrichten. Aldus heeft appellante onvoldoende voortvarend en gericht actie ondernomen. Het gedeeltelijk onbetaald gebleven loon over de maanden februari en maart 2009 is daarom terecht niet overgenomen, maar het Uwv heeft dat besluit gebaseerd op een onjuiste juridische grondslag.

4.6.

Voor zover het (hoger) beroep van appellante was gericht op het niet overnemen van de beëindigingsvergoeding geldt daarvoor dat de rechtbank daarover bij de uitspraak van

27 april 2011 heeft geoordeeld dat het Uwv die vergoeding terecht niet heeft overgenomen. Appellante heeft dat oordeel niet aangevochten, zodat dit oordeel in rechte onaantastbaar is geworden.

4.7.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Gelet op het onder 4.5 overwogene zal de Raad onder overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf voorzien en bepalen dat appellante geen recht heeft op overname van het onbetaald gebleven loon over de maanden februari en maart 2009.

4.8.

Nu het Uwv terecht, zij het op onjuiste gronden, de overname van het door appellante gevraagde heeft ontzegd, is er geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv tot de gevorderde schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente.

5.

Er is aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in beroep van € 944,- en in hoger beroep van € 472,-, in totaal derhalve € 1.416,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 december 2011;

  • -

    bepaalt dat appellante geen recht heeft op overname van het onbetaald gebleven loon over de maanden februari en maart 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1416,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 41,- in beroep en

€ 115,- in hoger beroep vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH