Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-3827 WW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Appellante heeft vanaf september 2010 gedurende langere tijd feitelijk de dierenkliniek van haar werkgeefster geleid en in dat kader verantwoordelijkheden gedragen die niet passen bij haar functie. De omstandigheden wijzen erop dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd. Het Uwv heeft aan appellante ten onrechte WW-uitkering geweigerd op de grond dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. Omdat voor de bepaling van het recht van appellante op een WW-uitkering met ingang van 1 april 2011 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt, kan hij niet zelf in de zaak voorzien. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3827 WW-T

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 juli 2012, 12/491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanaf 1 november 1998 werkzaam geweest als [naam functie] bij een dierenkliniek in de omgeving van [plaatsnaam]. Zij woonde in [plaatsnaam]. Eigenaar van deze dierenkliniek was A. (werkgeefster). Het dienstverband met werkgeefster is per 1 april 2011 geëindigd door ontslagname van appellante. Medio april 2011 is appellante, in verband met haar huwelijk op 22 april 2011, verhuisd naar Dedemsvaart, om te gaan samenwonen met haar man en diens kinderen.

1.2. Appellante heeft op 28 november 2011 een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met per 1 april 2011 ingetreden werkloosheid. In haar aanvraag heeft zij als reden voor ontslagname vermeld dat zij is getrouwd en is verhuisd om bij haar man in [woonplaats]te gaan wonen, waarmee de reistijd van haar woon/werkverkeer drie en een half uur per dag zou zijn geworden. Bij besluit van 2 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 april 2011 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens het Uwv was het ontslag gebaseerd op een persoonlijke voorkeur van appellante.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 december 2011. In haar bezwaarschrift heeft appellante toegelicht dat bij de keuze om ontslag te nemen ook een rol heeft gespeeld dat er door het privéleven van haar werkgeefster een zeer onaangename situatie was ontstaan op het werk. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij deze omstandigheden uit het oogpunt van discretie niet schriftelijk wil toelichten, maar wel mondeling. Op 12 januari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. Bij besluit van 8 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de situatie dat de werknemer ontslag neemt om na het huwelijk naar de woonplaats van de partner te verhuizen vanuit het oogpunt van de WW niet betekent dat van de werknemer redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat het dienstverband zou voortduren. Van appellante mocht vanuit de WW bezien, worden gevergd dat zij haar dienstbetrekking voortzette totdat zij werk zou hebben gevonden dichter bij haar nieuwe woonplaats. Nu zij dat niet heeft gedaan en ontslag heeft genomen, is verwijtbare werkloosheid ontstaan en is de WW-uitkering per 1 april 2011 terecht blijvend geheel geweigerd.

2.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep uitgebreid toegelicht welke omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan haar keuze om per 1 april 2011 ontslag te nemen. Zij heeft aangegeven dat zij er - achteraf gezien ten onrechte - voor heeft gekozen om bij haar aanvraag voor een WW-uitkering geen melding te maken van deze omstandigheden, uit loyaliteit en discretie naar haar werkgeefster die haar had verzocht te zwijgen over de ontstane situatie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

4.1.2. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd.

4.1.3. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.1. Het Uwv heeft bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt genomen dat appellante per 1 april 2011 ontslag heeft genomen omdat zij zou gaan trouwen en zou gaan samenwonen met haar echtgenoot in Dedemsvaart. De rechtspraak die de Raad over die situatie heeft ontwikkeld is voor het Uwv leidend geweest voor zijn beantwoording van de vraag of appellante door het nemen van ontslag verwijtbaar werkloos is geworden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt evenwel dat de onhoudbare situatie op het werk voor appellante de belangrijkste reden is geweest om ontslag te nemen. Ter zitting heeft het Uwv desgevraagd gesteld dat wat appellante over de ontstane werksituatie naar voren heeft gebracht hem geen aanleiding heeft gegeven voor een ander standpunt.

4.2.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.

4.2.3. Appellante was werkzaam als [naam functie] in een kleine dierenkliniek, waarin naast haar werkgeefster als vaste dierenarts nog een vaste waarneemster werkzaam was voor één dag per week en als invalster en nog een andere [naam functie]. Appellante heeft haar werkgeefster er na haar vakantie in augustus 2010 van op de hoogte gesteld dat zij trouwplannen had en op termijn naar [woonplaats]wilde verhuizen om te gaan samenwonen met haar (aanstaande) echtgenoot. In die periode ging het geestelijk al slecht met haar werkgeefster. In september 2010 heeft werkgeefster een zelfmoordpoging gedaan, en zij is vanaf dat moment niet meer in de dierenkliniek geweest. Zeer kort daarna is ook de vaste waarneemster arbeidsongeschikt geworden. Appellante heeft, omdat zij een zeer goede band had met haar werkgeefster, in overleg met haar werkgeefster de gehele verantwoordelijkheid voor de dierenkliniek op zich genomen. Om de dierenkliniek draaiende te houden heeft zij een nieuwe vaste waarneemster aangenomen voor twee dagen per week en, via een uitzendbureau, een dierenarts voor drie dagen per week. Bovendien heeft zij, ter vervanging van haar collega, een nieuwe [naam functie] aangenomen. Appellante heeft deze nieuwe medewerkers ingewerkt, zij heeft de administratie van de dierenkliniek gedaan en heeft onderhandeld met vertegenwoordigers. Daarnaast deed haar werkgeefster ook privé een groot beroep op appellante, welk beroep na een tweede zelfmoordpoging van haar werkgeefster alleen nog maar groter werd, onder meer omdat appellante, door tussenkomst van de politie, als eerste werd benaderd voor de hulpvraag. In dezelfde periode heeft appellante, die enig kind is, bovendien haar terminaal zieke vader ondersteund. Appellante heeft op enig moment zelf ook gezondheidsklachten (hartritmestoornissen) gekregen, die haar huisarts en cardioloog (uiteindelijk) hebben toegeschreven aan stress. Het Uwv heeft deze feiten en omstandigheden niet betwist.

4.2.4. Uit de in 4.2.3 vermelde omstandigheden blijkt dat appellante vanaf september 2010 gedurende langere tijd feitelijk de dierenkliniek van haar werkgeefster heeft geleid en in dat kader verantwoordelijkheden heeft gedragen die niet passen bij haar functie van [naam functie]. Daarnaast heeft werkgeefster vanaf september 2010 (ook) in de privésituatie een zeer groot en emotioneel belastend appèl op appellante gedaan. Uit deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat appellante een lange periode onder een uitzonderlijke druk heeft gestaan. Er was bovendien in de periode voorafgaand aan 1 april 2011 geen reëel perspectief dat de situatie in de dierenkliniek zou wijzigen. Het Uwv heeft deze omstandigheden, die appellante naar haar zeggen tijdens de hoorzitting in bezwaar omstandig uiteen heeft gezet, niet (zichtbaar) meegewogen in het bestreden besluit nu daarvan niets is te vinden in het verslag van het gehoor. Die omstandigheden wijzen erop dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd.

4.3.

Hieruit volgt dat het Uwv aan appellante ten onrechte WW-uitkering heeft geweigerd op de grond dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. Van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is geen sprake. Het Uwv was dan ook niet bevoegd om de WW-uitkering te weigeren.

4.4.

Omdat voor de bepaling van het recht van appellante op een WW-uitkering met ingang van 1 april 2011 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt, kan hij niet zelf in de zaak voorzien. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 8 maart 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ