Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-5234 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Sprake van het niet nakomen van een concrete geïndividualiseerde norm. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/23

Uitspraak

12/5234 WW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van

13 september 2012, 12/758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J. Reeser hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 11 oktober 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 41,33 uur per week. De uitkering is geëindigd met ingang van

20 juni 2011 en herleefd met ingang van 29 september 2011. Bij besluit van 5 december 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 31 oktober 2011 voor de duur van vier maanden gekort met 25%. Bij beslissing op bezwaar van 20 februari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit gesteld dat appellant in de periode van

29 september 2011 tot 5 december 2011 niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieplicht, zoals neergelegd in het werkplan van 27 oktober 2010, waardoor hij artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft overtreden.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel heeft gesolliciteerd in de in geding zijnde periode. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van personen bij wie hij in oktober en november 2011 zou hebben geïnformeerd naar werk.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is de werknemer verplicht te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

4.1.2. Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW, zoals dit artikel ten tijde in geding gold, is de werknemer onder andere verplicht te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet Structuur en uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De verwijzing in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW naar artikel 30a, eerste lid, van de Wet SUWI was als gevolg van een kennelijke misslag van de wetgever in de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2012 niet juist. Verwezen had moeten worden naar artikel 30a, vierde lid, van die wet. Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW wordt daarom, in lijn met de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9902, wat betreft de genoemde periode gelezen met verbetering van deze kennelijke misslag.

4.1.3. Indien de werknemer de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, of artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW genoemde verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigert het Uwv de uitkering op grond van artikel 27, derde lid, van de WW tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bepaalt de hoogte en de duur van de in geval van overtreding van beide voornoemde verplichtingen op te leggen maatregel op 25% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15% of ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden.

4.2.1. In het werkplan dat is opgesteld naar aanleiding van appellants aanvraag om een

WW-uitkering en dat is gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, van de Wet SUWI is opgenomen dat appellant één keer per week solliciteert. Deze verplichting is herleefd met ingang van

29 september 2011, tegelijk met de herleving van de WW-uitkering. Uit een overzicht van de contacten tussen de werkcoach en appellant blijkt dat appellant tegenover de werkcoach heeft verklaard dat hij in oktober en november 2011 geen sollicitaties heeft verricht en dat hij alleen solliciteerde op functies die hem aanstonden. Appellant hoopte in dienst te kunnen komen bij het bedrijf waar hij via een uitzendbureau reeds 22 uur per week werkte.

4.2.2. Appellant heeft in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, gesteld dat hij wel heeft gesolliciteerd. De ter onderbouwing daarvan overgelegde verklaringen vormen echter onvoldoende bewijs voor die stelling, omdat zij onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn. Met name is niet duidelijk wanneer, op welke wijze en naar welke functies appellant heeft gesolliciteerd. Verder zijn de meeste verklaringen van de potentiële werkgevers niet gedateerd en niet op briefpapier van het betreffende bedrijf of de betreffende werkgever gesteld. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant in de periode van 29 september 2011 tot 5 december 2011 niet heeft voldaan aan de verplichting om één sollicitatie per week te verrichten.

4.3.1. In de uitspraak van 17 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0599, heeft de Raad overwogen dat het in een re-integratieplan vastleggen van de voor een specifieke werknemer geldende verplichte sollicitatieactiviteiten leidt tot een concrete geïndividualiseerde norm. Bij het niet nakomen van deze norm is sprake van het niet nakomen van de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verplichting. In dit verband wordt tevens gewezen op de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW 2009, waarin het Uwv (onder meer) als beleid heeft neergelegd dat, als zowel de sollicitatieplicht als de verplichtingen uit de re-integratievisie door eenzelfde tekortkoming verwijtbaar zijn overtreden, het Uwv ervan zal uitgaan dat alleen artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW is overtreden.

4.3.2. Ook in het geval van appellant is sprake van het niet nakomen van een concrete geïndividualiseerde norm. Dit betekent dat appellant, door in de maanden oktober en november 2011 niet één keer per week te solliciteren, de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verplichting niet is nagekomen.

4.4.

Uit 4.3.2 volgt dat de opgelegde maatregel in stand kan blijven, maar dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, vernietigd te worden. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand laten. Daarbij is in aanmerking genomen dat wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het Uwv de hoogte van de maatregel had moeten matigen op de grond dat het niet nakomen van de verplichting appellant niet in overwegende mate zou kunnen worden verweten.

5.

Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van aan appellant verleende rechtsbijstand, begroot op € 472,- in beroep en € 472,- in hoger beroep, totaal

€ 944,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 februari 2012;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH