Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-4236 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4236 WW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

20 juni 2012, 12/155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Theunen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 juli 2011 heeft het Uwv een aan appellante verstrekte uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien over de periode van 19 februari 2007 tot en met 25 januari 2009 en een bedrag van € 11.027,71 als onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het Uwv appellante een boete van € 1.110,- opgelegd, omdat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door haar werkzaamheden als zelfstandig ondernemer niet te vermelden.

1.3. Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) is het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen.

2.1.

Appellante heeft niet voldaan aan de op grond van artikel 25 van de WW op haar rustende informatieplicht door op de werkbriefjes geen melding te maken van haar werkzaamheden als zelfstandige. Dat appellante met een re-integratiecoach van het Uwv heeft gesproken over haar voornemen om een eigen bedrijf te beginnen, doet er niet aan af dat zij van deze werkzaamheden melding had moeten maken op de betreffende werkbriefjes. Van opgave van direct gewerkte zelfstandige uren door middel van papieren werkbriefjes is niet gebleken. Het Uwv heeft terecht en op goede gronden de WW-uitkering van appellante herzien en in verband hiermee onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd.

2.2.

Artikel 27a van de WW verplicht het Uwv om een boete op te leggen aan de werknemer die de inlichtingenplicht niet nakomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

11 maart 2009 (LJN BH7780) is de rechtbank van oordeel dat appellante van deze overtreding ook een subjectief verwijt kan worden gemaakt, omdat zij in het geheel geen uren heeft opgegeven. Het Uwv heeft de boete van € 1.110,- dan ook terecht opgelegd aan appellante.

3.

In hoger beroep, zoals zij heeft bevestigd ter zitting, heeft appellante de gronden beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de boete. Deze gronden komen erop neer dat het Uwv appellante juist had moeten voorlichten. Als zij te horen had gekregen dat zij haar directe en indirecte uren moest opgeven, had zij daaraan onmiddellijk voldaan. Nu is door verzuim van het Uwv de boete onnodig opgelopen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank, dat appellante zowel objectief als subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het schenden van haar inlichtingenplicht, wordt onderschreven. Uit de werkbriefjes volgt duidelijk dat appellante ook door haar gewerkte uren als zelfstandige diende op te geven. Gerichte voorlichting van het Uwv was niet nodig om de vraag naar het gewerkt hebben als zelfstandige juist te beantwoorden. Dit heeft zij blijkens de zich in het dossier bevindende werkbriefjes niet gedaan. Voor zover het onderscheid tussen directe en indirecte uren voor appellante niet duidelijk was, had dit haar in ieder geval niet behoeven te verhinderen de feitelijk gewerkte uren voor de buitenschoolse opvang te vermelden. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling, dat zij haar uren als zelfstandige heeft opgegeven door middel van papieren werkbriefjes, niet onderbouwd, zoals zij zelf ook heeft erkend. Voor zover bij appellante onduidelijkheid bestond over het opgeven van door haar gewerkte uren als zelfstandige dan wel zij problemen ondervond bij het opgeven van deze uren, lag het op haar weg hierover contact op te nemen met het Uwv. Hiervan is niet gebleken. Het bedrag van de boete is voorts evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, zal worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

sg