Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-5279 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5279 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 augustus 2012, 12/1498 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als afwasser/steward gedurende 38 uur per week. Op

11 maart 2007 is appellant uitgevallen wegens fysieke klachten en psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat per datum einde wachttijd van 8 maart 2009 geen aanspraak bestaat op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant is belastbaar geacht conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

5 februari 2009. Hij werd daarbij niet geschikt geacht voor zijn maatgevende functie, maar wel voor onder meer de functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en medewerker tuinbouw. Op 14 februari 2011 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld wegens toename van zijn lichamelijke en psychische klachten. Hij is in dat verband op 5 april 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest die hem na anamnese, lichamelijk onderzoek en een onderzoek van de psyche per 8 april 2011 geschikt heeft geacht voor de geduide functies. Er waren volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen om nieuwe feiten aan te nemen zodat de eerder vastgestelde FML ongewijzigd van toepassing is. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 8 april 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het besluit van 14 februari 2012 ( bestreden besluit) - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 13 februari 2012 - ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het uitgevoerde medische onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat hij gelet op zijn lichamelijke en geestelijke beperkingen niet in staat is tot het verrichten van zijn arbeid herhaald. Er is volgens appellant te weinig aandacht besteed aan zijn alcoholverslaving, hij drinkt op drie tot vier dagen per week zoveel dat hij de volgende dag ziek is.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste, en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de wet WIA. In dit geval is voor appellant de arbeidsmaatstaf aan te merken de hiervoor onder 1.1 genoemde arbeid die voor appellant vanaf 7 maart 2009 als passend kan worden aangemerkt. Daarbij is het voldoende indien de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarbij informatie van de behandelend sector is meegewogen en waarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts was bekend met de alcoholverslaving en heeft de recente informatie van 7 februari 2012 van de Jellinek kliniek meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts wijst er op dat uit deze informatie valt af te leiden dat de behandeling die appellant gedurende een half jaar tot half december 2011 bij Jellinek heeft gevolgd, beperkt was van opzet, met tien gesprekken. De bezwaarverzekeringsarts heeft terecht aangegeven dat deze behandeling, gezien de beperkte omvang daarvan, geen reden is voor acceptatie voor de ZW. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen vormen voor twijfel aan de bevindingen en de daarop gebaseerde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant per 8 april 2011 geschikt te achten is voor zijn arbeid. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde medische informatie van Jellinek wordt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 19 juli 2013, onderschreven. Deze informatie bevat geen nieuwe medische gegevens en is in lijn met de eerdere informatie. Ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant met ingang van 8 april 2011 niet zou kunnen werken.

5.

Uit hetgeen hiervoor in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat het verzoek om vergoeding van wettelijke rente dient te worden afgewezen.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

JL