Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-4611 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet op grond van de omtrent appellante beschikbare medische informatie evenmin als de rechtbank aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bva dat de psychische klachten van appellante niet in overwegende mate aan de zwangerschap of bevalling kunnen worden toegeschreven, maar hun oorzaak vinden in de reactie van appellante op na de bevalling ontstane ziekte van haar baby en de daaruit voortvloeiende ziekenhuisopname(s). In met name de rapporten van 25 augustus 2011 - aangepast op 4 oktober 2011 - en van 27 februari 2012 ziet de Raad een inzichtelijke en overtuigende motivering in overeenstemming met de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” dat de vereiste causaliteit ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4611 ZW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 juli 2012, 11/1251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Namens appellante is mr. Houben verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellante is op 30 januari 2011 bevallen van een dochter. In verband met haar zwangerschap en bevalling heeft zij een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg. Aansluitend aan deze uitkering heeft zij zich per 25 april 2011 ziek gemeld met psychische en energetische klachten. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante per 25 april 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken wegens arbeidsongeschiktheid door zwangerschap of bevalling omdat de klachten van appellante geen rechtstreeks gevolg zijn van haar zwangerschap of bevalling. Bij besluit van 7 juni 2011 is haar met ingang van 25 april 2011 uitkering op grond van de ZW toegekend op grond van artikel 19, eerste lid 1, van de ZW.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 23 mei 2011 bezwaar gemaakt en daarbij informatie overgelegd van haar behandelend psychiaters. Bij besluit van 31 augustus 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2011 ten grondslag. Deze heeft de hoorzitting bijgewoond en onderzoek verricht en heeft, mede op basis van door appellante ingebrachte informatie uit de behandelend sector, met in achtneming van de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”(Standaard) geconcludeerd dat de psychische klachten van appellante geen rechtstreeks gevolg zijn van haar zwangerschap en bevalling, maar een reactie vormen op een door de ziekte van haar baby moeizaam verlopen kraamperiode en de periode daarna.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen, nu deze, ook in reactie op de brief van psychiater Peeters van 30 januari 2012, gemotiveerd heeft onderbouwd waarom, hoewel sprake is van postnatale klachten, die klachten niet rechtstreeks pathofysiologisch-oorzakelijk door de bevalling zelf zijn veroorzaakt en dus geen oorzakelijk verband hebben met de zwangerschap en/of bevalling.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist, nu verschillende artsen hebben verklaard dat de klachten/ziekte het gevolg zijn van de zwangerschap en bevalling. Zij meent dat de rechtbank zonder deugdelijke grond aan de informatie van de behandelaars is voorbijgegaan. Appellante heeft daaraan, met verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 2 mei 2012, LJN BW5143, en 31 januari 2006,

LJN AV0736, toegevoegd dat het Uwv ten onrechte voorafgaande aan de besluitvorming geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelaars en daarmee niet in overleg is getreden. Voorts acht zij het onzorgvuldig dat er gegevens van een ander persoon in het dossier hebben gezeten. Tot slot acht zij de Standaard onjuist toegepast, omdat daarin expliciet de mogelijkheid is aangegeven bij twijfel wel causaal verband aan te nemen en daartoe, gelet op de informatie, aanleiding was.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2011, 4 oktober 2011 en 27 februari 2012, verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de Wazo is geëindigd, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

4.2.De Raad ziet op grond van de omtrent appellante beschikbare medische informatie evenmin als de rechtbank aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de psychische klachten van appellante niet in overwegende mate aan de zwangerschap of bevalling kunnen worden toegeschreven, maar hun oorzaak vinden in de reactie van appellante op na de bevalling ontstane ziekte van haar baby en de daaruit voortvloeiende ziekenhuisopname(s). De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid.

4.3.

In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Anders dan in de door appellante genoemde uitspraken het geval was, had de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling van de bezwaren van appellante de beschikking over de gegevens van appellantes behandelaren en kon de bezwaarverzekeringsarts zonder nog nadere informatie of toelichting op die gegevens te vergaren tot oordeelsvorming over de gezondheidssituatie van appellante komen. Dat de gegevens van de behandelaren door appellante waren ingebracht doet daar niet aan af.

4.4.

De Raad sluit voorts aan bij het oordeel van de rechtbank dat in de aanwezigheid van op een vergissing berustende gegevens van een ander persoon in het dossier geen reden is gelegen het onderhavige besluit onzorgvuldig te achten, nu deze gegevens geen rol hebben gespeeld bij de besluitvorming door het UWV.

4.5.

Evenmin ziet de Raad aanleiding te oordelen dat de bezwaarverzekeringsarts de in de Standaard, die in gevallen als deze als hulpmiddel pleegt te worden gebruikt, genoemde mogelijkheid om bij twijfel causaal verband aan te nemen heeft miskend. In met name de rapporten van 25 augustus 2011 - aangepast op 4 oktober 2011 - en van 27 februari 2012 ziet de Raad een inzichtelijke en overtuigende motivering in overeenstemming met de Standaard dat de vereiste causaliteit ontbreekt. Daarbij is met name van belang de in die rapporten opgenomen gemotiveerde reactie op de door de behandelaars geduide bevindingen en gestelde verschillende diagnoses, waarbij herhaaldelijk is gesteld dat sprake is van klachten post partus, ontstaan enerzijds door teleurstelling en anderzijds door de ziekte van de baby en die, gelet op de persoonlijkheidsstructuur van appellante aanvankelijk zijn geduid als stemmingsstoornis NAO en later als depressieve stoornis, eenmalige episode, matig, met begin post partum.

5.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek om wettelijke rente dient te worden afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestruursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

ew