Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12-3284 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen kinderbijslag. Geen ingezetene. Geen duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland op de peildatum in geding. Geen dwangsom. Geen pkv. Geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3284 AKW, 12/3285 AKW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 mei 2012, 11/2892 + 11/2945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 september 2010 heeft de Svb geweigerd aan appellant ingaande het vierde kwartaal van 2010 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van zijn kinderen, geboren op respectievelijk 21 december 2004 en

21 november 2008. Overwogen is dat appellant nog geen ingezetene van Nederland was en niet werkzaam was in Nederland, zodat hij niet als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. Tegen dit besluit heeft appellant op 24 januari 2011 bezwaar gemaakt. Op

6 juni 2011 ontvangt de Svb een schrijven van appellant waarin hij te kennen geeft recht te hebben op een dwangsom, omdat de Svb niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar.

1.2. Vervolgens is het bezwaar tegen bovenvermeld besluit bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de reikwijdte van dat besluit is beperkt tot uitsluitend het derde kwartaal van 2010, aangezien de peildatum van het vierde kwartaal van 2010, te weten 1 oktober 2010, is gelegen na de datum van het besluit van 23 september 2010. Daarover kon op dat moment geen beslissing worden genomen. Op de peildatum van het derde kwartaal van 2010, te weten 1 juli 2010, heeft appellant geen recht op kinderbijslag op dezelfde gronden zoals neergelegd in het besluit van 23 september 2010.

1.3. De Svb heeft bij besluit van 15 juni 2011 alsnog aan appellant te kennen gegeven dat hij niet in aanmerking komt voor kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2010, omdat hij nog geen ingezetene van Nederland was en evenmin werkzaam was in Nederland. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is tevens verzocht om het besluit van 15 juni 2011 nietig te verklaren. Appellant meent dat de Svb nog geen beslissing op zijn bezwaarschrift van 24 januari 2011 heeft genomen, aangezien in bestreden besluit 1 geen beslissing over het vierde kwartaal van 2010 is gegeven. Om die reden verzoekt hij om een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 24 januari 2011.

1.5. De Svb heeft het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2011 bij besluit van
3 november 2011 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Overwogen is dat appellant op
1 oktober 2010 niet verzekerd was voor de AKW, omdat hij toen geen ingezetene van Nederland was. Op dat moment bestond er nog geen duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. Voorts is verwezen naar een separaat besluit van 15 juni 2011 waarin appellant kinderbijslag is toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 2011, omdat hij vanaf dat kwartaal wel als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat ter zitting is vast komen te staan dat het geschil is beperkt tot de afwijzing van de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2010. De Svb heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op 1 oktober 2010 nog geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen appellant en Nederland en dat appellant om die reden op die datum geen ingezetene was en derhalve niet verzekerd was voor de AKW. Over de dwangsom bij niet tijdig beslissen heeft de rechtbank overwogen dat de Svb geen dwangsom is verschuldigd, aangezien tijdig is beslist op het bezwaar van 24 januari 2011 nadat appellant de Svb in gebreke had gesteld. Dat in bestreden besluit 1 niet is beslist over het vierde kwartaal van 2010 doet niet af aan het feit dat er een beslissing is genomen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien het beroep tegen de afwijzing van de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2010 ongegrond is.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op 1 oktober 2010 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Voorts stelt appellant recht op een dwangsom te hebben, omdat de Svb niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van 24 januari 2011. Appellant heeft de Svb reeds in februari 2011 in gebreke gesteld en nadien is de beslistermijn in strijd met de wettelijke bepalingen verlengd. Appellant neemt het standpunt in dat de Svb tot op heden geen beslissing op zijn bezwaar van 24 januari 2011 heeft genomen, aangezien bestreden besluit 1 gaat over het derde kwartaal van 2010 terwijl het bezwaar gericht was tegen het vierde kwartaal van 2010. Tot slot verzoekt appellant de Svb te veroordelen in de schade die hij heeft geleden.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft beslist dat appellant op de peildatum van het vierde kwartaal van 2010 geen ingezetene was van Nederland en op die grond niet verzekerd was ingevolge de AKW. Voorts is in geschil of de Svb een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 24 januari 2011 tegen het besluit van 23 september 2010. Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of de Svb dient te worden veroordeeld in de door appellant gestelde schade.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

In de arresten van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.4.

In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 (zie onder meer LJN BW5741 en LJN BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.5.

Ten aanzien van deze beoordeling wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is geboren op 3 september 1987 en bezit de Nederlandse nationaliteit. Tot en met februari 1999 en van augustus 2000 tot en met maart 2006 woonde hij in Nederland, waarna hij is vetrokken naar Aruba. Daar werkte appellant en woonde hij met zijn inmiddels ex-partner en kinderen in bij zijn schoonouders. Nadat zijn relatie verbroken was keerde appellant op 13 juli 2010 terug naar Nederland met het doel zich hier definitief te vestigen. Zijn ex-partner en kinderen verbleven op dat moment op Aruba. Van

14 juli 2010 tot 16 augustus 2010 verbleef appellant in detentie en vanaf 17 augustus 2010 staat hij ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie en woonde hij in bij zijn zus. De familieleden van appellant wonen in Nederland. Vanaf 1 augustus 2010 volgt appellant een studie en ontvangt hij studiefinanciering. Op 18 december 2010 zijn de ex-partner en de kinderen naar Nederland gekomen. Een poging om de relatie tussen appellant en zijn
ex-partner te hervatten is niet gelukt.

4.6.

De onder 4.5 vermelde feiten en omstandigheden kunnen niet leiden tot het aannemen van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland op de peildatum in geding. Van belang wordt geacht dat appellant toen slechts ongeveer twee en een halve maand in Nederland verbleef. Gezien het voorafgaand verblijf op Aruba van ruim vier jaar, in welke periode appellants jongste kind is geboren en waarin hij een bestaan heeft opgebouwd, kan gezien de omstandigheden van het geval niet al na een verblijf van ongeveer twee en een halve maand een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland worden aangenomen. Deze korte verblijfsduur acht de Raad, gezien de hierboven beschreven omstandigheden zwaarwegend. Ook wordt van belang geacht dat appellant toen niet beschikte over zelfstandige woonruimte en dat zijn kinderen pas na de peildatum naar Nederland zijn gekomen.

4.7.

Betreffende de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar van
24 januari 2011 wordt geoordeeld dat appellant eerst op 6 juni 2011 de Svb in gebreke heeft gesteld. Het op 10 februari 2011 ingevulde antwoordformulier hoorzitting is niet als zodanig aan te merken, reeds omdat op dat moment de termijn voor het geven van een beslissing op bezwaar niet was verstreken. Niet in geschil is dat de termijn voor het nemen van een beschikking van twee weken na de ingebrekestelling, waarna een dwangsom is verschuldigd als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, ten tijde van bestreden besluit 1 niet was verstreken. Dit betekent dat voor het toekennen van een dwangsom geen grond bestond. Dat bestreden besluit 1 niet ziet op het vierde kwartaal van 2010, leidt niet tot het oordeel dat er geen beslissing op bezwaar is genomen.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. Uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb volgt dat veroordeling tot vergoeding van schade in dat geval niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

CVG