Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
12-3313 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing en herziening kinderbijslag. De eerder aanwezige duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland was op de peildata in geding niet meer aanwezig. De rechtbank heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant op de in geding zijnde peildata niet verzekerd was ingevolge de AKW omdat hij toen geen ingezetene meer was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3313 AKW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 mei 2012, 11/5658 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Namens appellant is verschenen mr. Van Leeuwen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend voor zijn vier kinderen. Bij besluit van 13 december 2010 is het recht op kinderbijslag van appellant geschorst. Op 1 juni 2011 is in opdracht van de Svb een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven adres. Bij besluit van 20 juni 2011 heeft de Svb het recht op kinderbijslag van appellant herzien met ingang van het vierde kwartaal van 2010. Daartoe is onder meer overwogen dat appellant in Marokko woont en sinds de peildatum van het vierde kwartaal van 2010 geen ingezetene meer is.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juni 2011 is bij besluit van 17 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat vanaf het vierde kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 geen recht bestaat op kinderbijslag, omdat appellant geen ingezetene van Nederland meer is. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de in geding zijnde kwartalen geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, zodat hij niet als ingezetene wordt aangemerkt en op die grond niet verzekerd is voor de AKW.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen ingezetene van Nederland was in de in geding zijnde kwartalen. Appellant heeft daartoe onder meer gesteld dat hij staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie en inwoont bij zijn broer, doch op zoek is naar een zelfstandige woonruimte. Wegens het ondergaan van een psychiatrische behandeling is appellant genoodzaakt frequent in Marokko te verblijven. De behandelend psychiater heeft appellant afgeraden om terug te keren naar Nederland, omdat de in Marokko toegepaste behandelmethodes niet in Nederland kunnen dan wel mogen worden toegepast. Appellant is in Nederland op zoek naar een psychiater die hem de juiste behandeling kan geven.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft beslist dat appellant van het vierde kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 geen ingezetene was van Nederland en op die grond niet verzekerd was ingevolge de AKW.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

In de arresten van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.4.

In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 (zie onder meer LJN BW5741 en LJN BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.5.

Ten aanzien van deze beoordeling wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant, gehuwd met N.[K.], is [in] 1968 in Marokko geboren. Op enig moment is hij Nederland binnengekomen en vanaf 16 december 1993 is hij in het bezit gesteld van de Nederlandse nationaliteit. Zijn vier kinderen zijn in 1995, 1999 en 2002 in Nederland geboren. Sinds 28 september 1999 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Nadien heeft appellant niet meer in Nederland gewerkt. In juli 2011 heeft de voorloper van het Uwv aan appellant op zijn verzoek toestemming verleend om naar Marokko te vertrekken. Vanaf 3 april 2006 wonen de kinderen in Marokko. De echtgenote van appellant verbleef vanaf enig moment geregeld in Marokko. Tot eind 2008 beschikte appellant over zelfstandige woonruimte. Nadat hij zijn huis was uitgezet, logeert hij bij zijn broer als hij in Nederland is. Daar beschikt hij over een kamer die niet is ingericht met zijn eigen spullen. Als hij niet in Nederland is, gebruikt het gezin van zijn broer deze kamer. In de periode 2009 tot en met 2011 verbleef appellant gedurende een viertal aaneengesloten perioden, variërend van twee tot vijf maanden, in Marokko. Vanaf

10 augustus 2010 heeft appellant gedurende twee tijdvakken van achtereenvolgens één en twee maanden in Nederland verbleven. In Marokko woont hij met zijn gezin in een woning van zijn andere broer. Appellant heeft gesteld dat de reden voor het verblijf in Marokko is gelegen in het ondergaan van een medische behandeling om reden van de bij appellant geconstateerde schizofrenie doch appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit de noodzaak tot het ondergaan van een behandeling in Marokko blijkt.

4.6.

De onder 4.5 vermelde feiten en omstandigheden kunnen niet leiden tot het blijven aannemen van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland op de peildata in geding. Van belang wordt geacht dat appellant vanaf eind 2008 niet meer beschikte over zelfstandige woonruimte. Hij verbleef nadien samen met zijn gezin gedurende steeds een aanzienlijk aantal maanden per jaar in Marokko. Daar had hij de beschikking over de gehele woning van zijn broer. Gedurende de perioden dat appellant in Nederland verbleef logeerde hij bij zijn broer. Niet in geschil is dat deze woonruimte niet als zelfstandig kan worden aangemerkt en niet is aannemelijk gemaakt dat appellant na eind 2008 pogingen heeft ondernomen om over dergelijke woonruimte te beschikken. Voorts is van belang dat de kinderen van appellant vanaf 3 april 2006 in Marokko wonen en dat aannemelijk is geworden dat ook zijn echtgenote daar woonde. Verder is de keuze om steeds vaker in Marokko te verblijven gelegen in de medische toestand waarin appellant verkeert. Volgens appellant zou de behandelend psychiater hebben aangegeven dat een definitief verblijf in Nederland niet aan te raden is, omdat de voor appellant aangewezen behandeling alhier niet aanwezig is. Ook deze omstandigheid leidt ertoe dat de banden met Nederland gaandeweg minder sterk zijn geworden. Dit geldt temeer nu er op de peildata in geding geen concreet zicht was op een medische behandeling in Nederland.

4.7.

Uit het verloop van de situatie van appellant na eind 2008 wordt geconcludeerd dat de eerder aanwezige duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland op de peildata in geding niet meer aanwezig was. Dit betekent dat de rechtbank zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de in geding zijnde peildata niet verzekerd was ingevolge de AKW omdat hij toen geen ingezetene meer was.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

JvC