Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
12-6104 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum AOW-pensioen. De rechtbank heeft in navolging van de Svb miskend dat appellante ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika haar rechten voor de AOW heeft veiliggesteld bij haar aanmelding voor “Medicare” in 1996, toen zij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De ingangsdatum van het AOW-pensioen van appellante dient dan ook te worden vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin appellante 65 jaar is geworden, 1 december 1996. Toekenning schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/37
PJ 2014/26
RSV 2014/153

Uitspraak

12/6104 AOW, 12/6105 AOW

Datum uitspraak: 18 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 september 2012, 11/4061 + 11/4062 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (tezamen: appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft drs. J. Kranenburg hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 september 2013 heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Namens appellanten zijn verschenen mr. Van Schaik en drs. Kranenburg voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op 7 december 1931, en appellant, geboren op 27 augustus 1934, hebben, voordat zij in 1960 naar de Verenigde Staten van Amerika zijn geëmigreerd, in Nederland gewoond en/of gewerkt. Sinds 1965 hebben appellanten de Amerikaanse nationaliteit. Bij hun pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar in respectievelijk 1996 en 1999 hebben appellanten zich bij het Amerikaanse uitvoeringsorgaan Social Security Administration (SSA) aangemeld voor “Medicare”, een ziektekostenverzekering voor onder meer mensen van 65 jaar en ouder. Op 3 juli 2000 hebben appellanten bij de SSA een (uitgesteld) ouderdomspensioen (Retirement benefit) aangevraagd.

1.2. Op 30 september 2008 hebben appellanten een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Op de vraag waarom zij niet eerder een AOW-pensioen hebben ingediend, hebben appellanten geantwoord dat zij zich er niet eerder van bewust waren dat er aanspraak op een AOW-pensioen zou bestaan. Voorts hebben zij desgevraagd te kennen gegeven dat zij bij de pensioenaanvraag bij de SSA niet hebben vermeld dat zij in Nederland hebben gewoond en/of gewerkt.

1.3. Bij besluit aan appellante van 15 december 2008 en bij besluit aan appellant van

23 december 2008 heeft de Svb aan appellanten een AOW-pensioen toegekend met ingang van september 2007. Volgens de Svb is geen sprake van een bijzonder geval om het

AOW-pensioen met een langere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen.

1.4. Bij beslissingen op bezwaar van 7 augustus 2009 heeft de Svb het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Bij herziene beslissingen op bezwaar van 25 februari 2010 heeft de Svb de bezwaren wederom ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uit nader onderzoek bij de SSA niet is gebleken dat appellanten bij hun aanvraag om ouderdomspensioen hebben aangegeven in Nederland te hebben gewoond en/of gewerkt.

1.5. Bij uitspraak van 27 oktober 2010 heeft de rechtbank de beroepen gericht tegen de besluiten van 25 februari 2010 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de Svb opdracht gegeven nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. De Svb dient onder meer nader onderzoek te doen naar het intakeformulier dat is opgemaakt tijdens de aanvraag van het Amerikaanse pensioen en naar de vragen die daarin zijn gesteld waaruit kan blijken dat er sprake is van vervulde verzekerde tijdvakken in Nederland als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Verdrag).

1.6. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Svb van de SSA en de Federal Benefits Unit te Dublin de volgende informatie ontvangen:

- Appellante heeft op 20 december 1996 een aanvraag “Social Security benefits” ingediend welke zij heeft beperkt tot “Medicare”. Hierbij heeft zij te kennen gegeven dat zij niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel, maar haar echtgenoot wel. Dienaangaande heeft zij verder opgemerkt dat zij niet lang genoeg heeft gewerkt onder het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel en dat zij de betaalde premies heeft terugontvangen (afgekocht).

- Appellant heeft op 13 september 1999 een aanvraag “Social Security benefits” ingediend welke hij heeft beperkt tot de “Medicare”. Hierbij heeft hij te kennen gegeven dat hij niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel.

- Appellanten hebben op 3 juli 2000 aanvragen voor “Social Security Retirement benefits” ingediend, waarbij zij hebben te kennen gegeven niet verzekerd te zijn voor een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel.

- Uit kopieën van de paperless files van de aanvragen bij de SSA om ouderdomspensioen van appellanten in 2000 blijkt dat bij de vraag “Covered under foreign SSA (Y/N)”, een “N” is ingevuld. Voorts is er ten aanzien van appellant nog de opmerking opgenomen “Begin place Netherlands”.

1.7. Bij beslissingen op bezwaar van 18 juli 2011 heeft de Svb de bezwaren van appellanten wederom ongegrond verklaard, omdat appellanten bij hun aanvraag bij de SSA niet te kennen hebben gegeven dat zij in Nederland hebben gewoond of gewerkt, dan wel verzekerd zijn geweest voor het AOW-pensioen. Voor toekenning van vertragingsschade ziet de Svb geen aanleiding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten gegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering vertragingsschade toe te kennen en de bestreden besluiten in zoverre vernietigd. Vastgesteld wordt dat de Svb als gevolg van het niet tijdig beslissen tweemaal een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,- en dat hierover de wettelijke rente dient te worden vergoed. De beroepen zijn voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit de gedingstukken is gebleken dat appellanten in het kader van de aanvragen voor ouderdomspensioen in de VS geen informatie hebben verstrekt over wonen en/of werken in Nederland. Weliswaar was de SSA op de hoogte van geboortedata en -plaatsen van appellanten en hun huwelijk in Nederland, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van verzekerde tijdvakken in het kader van de AOW. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan van één jaar en zeven maanden heeft de rechtbank de Svb veroordeeld tot vergoeding van de schade aan appellanten van vier maal € 500,-, totaal € 2.000,-.

3.

In hoger beroep is namens appellanten aangevoerd dat zij bij hun aanvragen in de VS hebben voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 22, tweede lid, van het Verdrag. Zij hebben hun aanvraag immers niet specifiek beperkt tot een uitkering krachtens de wetten van de VS en hebben bij hun aanvragen gegevens verstrekt waaruit verzekerde periodes in Nederland blijken. De SSA had op basis hiervan de mogelijke rechten van appellanten in Nederland moeten opvragen. Dit betekent dat zij in ieder geval recht hebben op het

AOW-pensioen vanaf de datum van hun aanvraag om “Retirement benefit” in de VS. Voorts is betoogd dat appellanten ieder recht hebben op € 2.000,- schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Indien de rechtbank bedoeld heeft slechts één maal een bedrag van € 2.000,- voor appellanten samen aan schadevergoeding toe te kennen, had zij dat dienen te motiveren.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 22 van het Verdrag luidt als volgt:

‘‘1. Een schriftelijke aanvraag om uitkeringen die ingediend is bij het uitvoeringsorgaan van een Verdragsluitende Staat stelt de rechten van de aanvrager krachtens de wetten van de andere Verdragsluitende Staat zeker indien de aanvrager verzoekt de aanvraag te beschouwen als een aanvraag krachtens de wetten van de andere Verdragsluitende Staat.

2.

Indien een aanvrager een schriftelijke aanvraag om uitkeringen heeft ingediend bij het uitvoeringsorgaan van een Verdragsluitende Staat en de aanvraag niet specifiek heeft beperkt tot uitkeringen krachtens de wetten van die Staat stelt de aanvraag tevens de rechten van de aanvrager krachtens de wetten van de andere Verdragsluitende Staat zeker indien de aanvrager op het tijdstip van indiening inlichtingen verstrekt waaruit blijkt dat degene voor wie de uitkeringen worden aangevraagd, verzekeringstijdvakken krachtens de wetten van de andere Verdragsluitende Staat heeft vervuld.’’

4.2.

Tussen partijen is primair in geschil of de Svb ook met inachtneming van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag terecht heeft besloten de ingangsdatum van het aan appellanten toegekende ouderdomspensioen vast te stellen op september 2007.

4.3.

Anders dan ter zitting door de Svb is betoogd, wordt geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat appellanten hun aanvraag om ouderdomspensioen bij de SSA specifiek hebben beperkt tot een Amerikaans ouderdomspensioen. Met een specifieke beperking in de zin van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag kan niet anders bedoeld zijn dan dat de aanvrager expliciet en daarmee bewust aangeeft dat hij de aanvraag wil beperken tot een uitkering uit één Verdragsluitende Staat. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellanten bewust - wetende dat zij AOW-rechten hadden - hun aanvraag hebben beperkt. Een mededeling dat men niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel, kan niet worden aangemerkt als een specifieke beperking.

4.4.

Vervolgens is de vraag of appellanten hun rechten op hun AOW-pensioen hebben veiliggesteld doordat zij bij hun aanvraag in de VS inlichtingen hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij verzekeringstijdvakken voor de AOW hebben vervuld.

4.5.

Voor een adequate uitvoering van het Verdrag en een juiste toepassing van artikel 22 in het bijzonder, dienen de uitvoeringsorganen van de Verdragslanden de vereiste basiskennis te hebben van elkaars stelsel van sociale zekerheid. Zo zou de SSA zich ervan bewust moeten zijn dat Nederlandse tijdvakken van verzekering niet enkel gebaseerd zijn op tijdvakken van werken, maar ook op tijdvakken van wonen, in ieder geval waar het de Nederlandse ouderdomsverzekering betreft. In dit verband wordt ook gewezen op de SSA-publicatie met betrekking tot de Totalization Agreement with the Netherlands waarin is opgenomen dat een betrokkene reeds voor een Nederlands ouderdomspensioen in aanmerking kan komen na één jaar van verzekering na 1957, waarbij ook nog een verhoging kan plaatsvinden indien de betrokkene voor 1957 woonde in Nederland (de zogenoemde overgangsvoordelen). Voor een betrokkene die al geruime tijd weg is uit Nederland en die voorts verhuisd is slechts enkele jaren na de inwerkingtreding van AOW, is het veelal moeilijk de eigen verzekering voor de AOW te beoordelen. Ook om die reden zou het wenselijk zijn als door het uitvoeringsorgaan in de VS bij de aanvraag voor “Medicare” of een “Retirement Benefit” wordt doorgevraagd naar het woon- en werkverleden van de aanvrager indien blijkt van een buitenlands verleden. Indien gegevens worden verstrekt die vervolgens wijzen op woon- en/of werktijdvakken in Nederland, dient het uitvoeringsorgaan van het andere Verdragsland de betrokkene te attenderen op mogelijke aanspraken in Nederland dan wel de aanvraag door te sturen naar het Nederlandse uitvoeringsorgaan. Dit laatste orgaan is immers het meest aangewezen om te beoordelen of er aanspraken zijn op een Nederlandse uitkering of pensioen.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij bij de indiening van de aanvragen voor “Medicare” in 1996 en 1999 en de “Retirement benefit” in 2000 desgevraagd informatie hebben verstrekt die wijst op een verleden van wonen in Nederland, waaruit verzekeringstijdvakken konden worden afgeleid. Daargelaten of gegevens, zoals de geboorteplaats, de plaats en datum van huwelijk en het jaar van emigratie, voldoende zouden zijn om de in 4.4 bedoelde rechten veilig te stellen, zijn in de gedingstukken geen concrete aanwijzingen te vinden dat deze gegevens zijn verstrekt. Slechts op de in 1.6 genoemde paperless files van appellant is “Begin place Netherlands” vermeld. Dit is onvoldoende om de rechten op AOW-pensioen veilig te stellen, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 22 van het Verdrag.

4.7.

Uit de gedingstukken blijkt wel dat appellante in 1996 als pensioengerechtigde bij haar aanmelding voor “Medicare” heeft aangegeven dat zij niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel. Daarbij is als opmerking geplaatst dat zij niet lang genoeg heeft gewerkt onder het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid en dat zij haar inleg heeft teruggekregen. Deze gegevens hadden voor de SSA aanleiding moeten zijn appellante te attenderen op mogelijke ouderdomspensioenrechten in Nederland dan wel anderszins een aanvraag om een AOW-pensioen te entameren.

4.8.

Dit betekent dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden de rechtbank in navolging van de Svb heeft miskend dat appellante ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Verdrag haar rechten voor de AOW heeft veiliggesteld bij haar aanmelding voor “Medicare” in 1996, toen zij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De ingangsdatum van het

AOW-pensioen van appellante dient dan ook te worden vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin appellante 65 jaar is geworden, 1 december 1996.

4.9.

Anders dan namens appellanten is betoogd, leidt dit er niet toe dat ook appellant, op grond van de in 1996 bij de aanmelding voor “Medicare” verstrekte gegevens door zijn echtgenote, geacht moet worden zijn rechten op AOW-pensioen vanaf augustus 1999 te hebben veiliggesteld.

4.10.

Voor zover appellanten nog persisteren bij hun verzoek om oplegging van een dwangsom, ziet de Raad daartoe geen aanleiding.

4.11.

Ten aanzien van de immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt de Raad vast dat tussen partijen in confesso is dat deze schade € 2.000,- bedraagt. Voor zover de rechtbank echter bedoeld heeft dat dit bedrag voor appellanten tezamen moet worden betaald, is dit onjuist. Het is vaste jurisprudentie van de Raad (zie de uitspraken van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2787 en van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137) dat in gevallen als deze waarin ten aanzien van appellanten verschillende besluiten zijn genomen ook al betreffen zij hetzelfde onderwerp en ook dezelfde beroepsgronden zijn ingediend, zij ieder voor zich spanning en frustratie hebben ondergaan door de te lange duur van de procedure. Derhalve is er naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om de schade te beperken tot (eenmaal) € 2.000,-. De Raad zal de door de Svb te vergoeden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dan ook vaststellen op tweemaal € 2.000,-, dat is € 4.000,-.

5.1.

De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het beroep van appellante ongegrond is verklaard en voor zover de door de Svb te vergoeden schade is vastgesteld op

€ 2.000,-. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

5.2.

Er is aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van appellanten voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 437,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep van appellante ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 18 juli 2011 gegrond;

  • -

    vernietigt dat besluit van 18 juli 2011;

  • -

    bepaalt dat het AOW-pensioen van appellante aan haar dient te worden toegekend met ingang van 1 december 1996;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de door de Svb te vergoeden schade is vastgesteld op € 2.000,-;

  • -

    stelt het bedrag van de schadevergoeding vast op € 4.000,-;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 472,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellanten het door hen in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

RH