Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
12-629 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering is op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontving, stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg. Geen sprake van zeer dringende redenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/629 WWB, 12/630 WWB, 13/2063 WWB

Datum uitspraak: 17 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 27 december 2011, 11/6250, 11/6251, 11/6254 en 11/6255 (aangevallen uitspraak 1) en de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2013, 13/47 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2013. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Klaas en mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A. van den Hoff.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op 28 januari 1992, volgde in 2011 en 2012 een opleiding aan het Nova college te Hoofddorp. Hij ontving in die periode studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) tot een bedrag van bijna € 740,-.

1.2.

Bij brief van 14 juni 2011, aangevuld bij brief van 13 juli 2011, heeft appellant het college laten weten dat hij van zijn studiefinanciering niet rond kan komen en dat hij van zijn vader, die naar Engeland was vertrokken, geen geld ontvangt. Appellant verzoekt het college hem te helpen, door hem een uitkering te verstrekken op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet investeren in jongeren dan wel in de vorm van een bijzondere bijlage of een toelage, of door in overleg te treden met de Dienst Uitvoering Onderwijs om tot een oplossing te komen. In reactie op dit verzoek heeft het college appellant bij brief van 16 september 2011 (brief) meegedeeld dat op een algemeen verzoek om hulp een beslissing niet mogelijk is en dat appellant op de hem bekende wijze een aanvraag om algemene bijstand of om bijzondere bijstand kan indienen.

1.3.

Een medewerkster van het jongerenloket van de gemeente Haarlem heeft op 17 oktober 2011 een - handgeschreven - aantekening gemaakt dat appellant is langs geweest en voorts dat het niet mogelijk is om een uitkering aan te vragen wanneer iemand Rijkskas bekostigd onderwijs volgt (aantekening).

1.4.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 25 oktober 2011 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de brief en de aantekening niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief en de aantekening niet kunnen worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5.

Appellant heeft op 18 mei 2012 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de WWB voor de kosten van levensonderhoud. Bij besluit van 22 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 december 2012 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft college ten grondslag gelegd, samengevat en onder verwijzing naar onder meer artikel 15, eerste lid, van de WWB, dat het bedrag aan studiefinanciering dat appellant maandelijks ontvangt hoger is dan het bedrag aan bijstand, inclusief bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de WWB, waarop appellant aanspraak zou kunnen maken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant tegen de aangevallen uitspraak 1, samengevat, aangevoerd dat de brief en de aantekening wel besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

3.2.

In hoger beroep heeft appellant tegen de aangevallen uitspraak 2, samengevat, aangevoerd dat hij niet kan rondkomen van de studiefinanciering die hij ontvangt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft mr. Fischer te kennen gegeven dat indien het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 geen bespreking behoeft. Om die reden zal de Raad eerst het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 beoordelen.

4.2.

In artikel 12 van de WWB is bepaald dat een persoon van 18, 19 of 20 jaar recht heeft op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders.

4.3.

Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7255) is de studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant gedurende de hier te beoordelen periode studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontving, stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg.

4.5.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB, biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.6.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De enkele omstandigheid dat hij ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand niet kon rondkomen van zijn studiefinanciering en behoefte had aan extra financiële ruimte, levert onvoldoende grond op om het bestaan van een acute noodsituatie als hiervoor omschreven aan te nemen.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8.

Gelet op 4.7 en 4.1 behoeft het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 geen bespreking. Dit betekent dat ook deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P.J.M. Crombach

HD