Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
11-535 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/535 WIA

Datum uitspraak: 13 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

14 december 2010, 10/2542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de Raad het onderzoek heropend.

De Raad heeft oogarts prof. dr. G.P.M. Luyten als deskundige (deskundige) benoemd. Deze heeft op 5 oktober 2012 rapport uitgebracht. Het Uwv heeft daarover zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 3 april 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is wederom gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de Raad het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige op 10 juli 2013 nader gerapporteerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 1 november 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante had een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toen zij op

4 oktober 2007 uitviel wegens diverse lichamelijk klachten. Nadien hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Op 9 december 2009 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, op basis waarvan een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld, waarbij zowel lichamelijke als psychische beperkingen zijn aangenomen. Na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd die in overeenstemming werden geacht met de beperkingen van appellante. Bij besluit van 22 december 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van

1 oktober 2009 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.

1.3. Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 22 december 2009 gemaakte bezwaar heeft het Uwv nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts is op basis van dossierstudie en ontvangen informatie van de huisarts van 28 mei 2010 tot de conclusie gekomen dat de FML dient te worden aangescherpt voor wat betreft gebogen en/of getordeerd actief zijn. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens, met inachtneming van de aangepaste FML van

3 juni 2010, de geduide functies opnieuw bezien en geen aanleiding gezien om tot een andere conclusie te komen dan de arbeidsdeskundige. Bij besluit van 8 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, er geen reden is om aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv over de belastbaarheid en de beperkingen van appellante te twijfelen. De rechtbank achtte voorts de door de (bezwaar)arbeidskundige geduide functies passend voor appellante, ook voor wat betreft beperking 5.6 ‘gebogen en/of getordeerd actief zijn’ tot minder dan vijf minuten.

3.

In hoger beroep heeft appellante, samengevat, betoogd dat de artsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Appellante heeft in hoger beroep in het bijzonder aandacht gevraagd voor de bij haar in augustus 2011 vastgestelde oogaandoening Stargardt type 1, waaruit de klachten van duizeligheid, vermoeidheid en hoofdpijn verklaard kunnen worden, aldus appellante. Appellante is dan ook van mening dat haar belastbaarheid te optimistisch is vastgesteld en zij meer beperkingen had dan in de FML zijn aangenomen. Om die reden acht zij de geduide functies niet passend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nadere medische stukken overgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting heeft de Raad aanleiding gevonden om appellante te laten onderzoeken door de deskundige. In zijn rapport van

5 oktober 2012 is de deskundige tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van de ziekte van Stargardt, een progressieve retinale dystrofie die op jonge leeftijd ontstaat en klachten geeft. De verminderde visus en de klachten van de visus lopen volgens de deskundige voor op de afwijkingen die te zien zijn in het oog, en volgens hem is het zeer waarschijnlijk dat appellante op datum in geding serieuze klachten had en dat haar belastbaarheid toen was beperkt als gevolg van de verminderde visus. De deskundige heeft gerapporteerd dat objectieve gegevens over het oogheelkundig onderzoek ten tijde van

10 (

lees:1) oktober 2009 ontbreken, zodat de belastbaarheid en de mogelijkheden voor het verrichten van werkzaamheden moeilijk in te schatten zijn. Hij heeft echter benadrukt dat de ziekte van Stargardt ten minste vanaf 2009 een significante rol heeft gespeeld in het uitvoeren van werkzaamheden.

4.2.

In zijn nadere rapport van 10 juli 2013 heeft de deskundige gesteld dat appellante op de datum in geding zeer waarschijnlijk al klachten ondervond van haar gezichtsvermogen, maar dat de belastbaarheid achteraf niet meer kan worden vastgesteld. Een bewijs van een verminderde visus vóór 5 oktober 2010 is volgens de deskundige niet aanwezig. De deskundige is het dan ook eens met het standpunt van het Uwv dat in de stukken geen steun kan worden gevonden voor de bewering dat er in 2009 al sprake was van een verminderde visus. Aanvullend heeft de deskundige nog opgemerkt dat, andere klachten zoals hoofdpijn, duizeligheid of een hoge bloeddruk niet verklaard kunnen worden door de ziekte van Stargardt.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.4.

Hetgeen appellante overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan de rechtbank. De beschikbare medische gegevens bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellante, die zijn vastgelegd in de FML van 3 juni 2010, zijn overschat. Er is geen aanleiding te twijfelen aan het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De in de aangevallen uitspraak gewijde overwegingen worden onderschreven.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen moet worden vastgesteld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Met de arbeidskundige rapporten van 14 december 2009,

17 december 2009, 8 juni 2010 en 12 november 2010, is uitgebreid ingegaan op de signaleringen bij deze functies en is overtuigend gemotiveerd dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover heeft overwogen wordt onderschreven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) H.J. Dekker

QH