Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
11-5208 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Appellant heeft meer uren gewerkt dan hij heeft opgegeven. Door daarvan geen melding te maken, heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5208 WWB, 11/6227 WWB

Datum uitspraak: 17 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 21 juli 2011, 11/375 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 september 2011, 11/237 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant hebben mr. B. van Dijk en mr. A. Mulder, beiden advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 respectievelijk tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgehad op 5 november 2011. Voor appellant is mr. Van Dijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 12 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van de melding van een consulent van de dienst Sociale Zaken en Werk (dienst) dat appellant fulltime zou werken bij het restaurant [naam restaurant] in [plaatsnaam] (restaurant), welke melding afweek van het door appellant overgelegde overzicht met gewerkte dagen en tijden, heeft de dienst een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn waarnemingen verricht door onder andere de bijstandsconsulent van appellant, is appellant om inlichtingen verzocht en hebben op 2 en 16 november 2010 bij de dienst gesprekken met appellant plaatsgevonden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport Fraude Controle (fase 2). De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

9 december 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2010 in te trekken en de over de periode 1 tot en met 31 oktober 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 768,27 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Hij heeft meer inkomsten genoten dan hij heeft opgegeven.

1.3.

Het college heeft het tegen het besluit van 9 december 2010 gemaakte bezwaar bij besluit van 24 februari 2011 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard. Het college heeft de intrekking beperkt tot de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2010 en het besluit van

9 december 2010 voor het overige gehandhaafd.

1.4.

Bij besluit van 7 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college appellant een maatregel opgelegd en de bijstand vanaf 2 november 2010 tot en met 1 december 2010 verlaagd met 100%. Deze besluitvorming berust op de overweging dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Hij heeft tijdens het gesprek bij de dienst op 16 november 2010 medegedeeld dat hij na het gesprek op 2 november 2010 direct ontslag heeft genomen bij het restaurant.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Hij voert met betrekking tot bestreden besluit 1 aan dat het verrichte onderzoek onvoldoende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat hij meer heeft gewerkt dan de door hem opgegeven 20 uren. Het is aan het college dit aannemelijk te maken. De in dat kader verrichte waarnemingen moeten voldoende concreet zijn. Niet alle waarnemingen kunnen aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Zijn aanwezigheid in het pand, zonder dat hij in werkkleding is gesignaleerd, kan niet de conclusie dragen dat appellant op dat moment betaalde werkzaamheden verrichtte. Appellant is slechts op twee momenten in kokskleding gezien. Subsidiair, in het geval sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting en alleen die waarnemingen aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd waarbij appellant in kokskleding is gezien, voert appellant aan dat het college schattenderwijs had moeten vaststellen tot welk bedrag hij op basis van de vaststaande feiten in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben gehad.

3.2.

Appellant voert met betrekking tot bestreden besluit 2 aan dat niet gezegd kan worden dat hij door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Zijn contract bij het restaurant betrof een oproepcontract dat per 14 november 2010 van rechtswege zou eindigen. Het college betrekt ten onrechte in de besluitvorming dat dit contract, als appellant zich in de periode van 2 tot 14 november 2010 wel beschikbaar zou hebben gesteld, mogelijk zou zijn verlengd. Subsidiair voert appellant aan dat het college, gelet op de geringe inkomsten die hij genoot, aanleiding had moeten zien de maatregel te matigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in oktober 2010 meer heeft gewerkt dan de door hem opgegeven uren.

4.2.

Uit een door appellant overgelegde salarisstrook blijkt dat hij in oktober 2010 op zes dagen 20 uren heeft gewerkt. Hij heeft desgevraagd een overzicht gemaakt van de dagen en tijdstippen waarop hij in oktober 2010 heeft gewerkt. Uit de door de dienst verrichte waarnemingen blijkt dat appellant op zes andere tijdstippen dan door hem zijn opgegeven is waargenomen in het restaurant. Vier maal betrof het dagen waarvan hij niet had opgegeven dat hij had gewerkt. Dat in de daarvan opgemaakte rapportage slechts bij twee van die waarnemingen wordt vermeld dat appellant in kokskleding is gezien, betekent niet dat de andere waarnemingen niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. Daartoe is van belang dat de waarnemingen, anders dan het geval was in de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 1 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO8852), voldoende concreet zijn. Appellant is alle keren in de keuken van het restaurant gezien en zijn bijstandsconsulente en de fraudecontroleur, die de betreffende waarnemingen hebben gedaan, hebben allebei alsnog verklaard dat hij op die momenten een schort droeg. In lijn met vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8305) vooronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Appellant is hierin niet geslaagd.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat appellant in oktober 2010 buiten de door hem opgegeven 20 uren op zes verschillende tijdstippen werkzaamheden heeft verricht. Anders dan in de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 16 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY1242) het geval was, staat daarmee vast dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Door daarvan geen melding te maken, heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden. Omdat alle waarnemingen aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd, behoeft de subsidiair aangevoerde grond geen bespreking.

De maatregel

4.4.

Appellant heeft zijn werkgever op 2 november 2010 medegedeeld dat hij niet meer wilde worden opgeroepen. Dit betekent dat hij door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Voor dat oordeel is niet van belang of het contract, dat op 14 november 2010 van rechtswege zou aflopen, mogelijk zou zijn verlengd als appellant zijn werkgever niet had medegedeeld niet meer te willen worden opgeroepen.

4.5.

De geringe inkomsten die appellant stelt te hebben genoten, kunnen niet leiden tot het oordeel dat het college aanleiding had moeten zijn de maatregel te matigen. Doordat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden, is immers niet vast te stellen hoeveel inkomsten hij heeft genoten.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de door appellant in de hoger beroepen aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

RB