Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
12-5094 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bijstand van appellante wordt ongewijzigd voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hiermee komt het besluit geheel tegemoet aan de inhoudelijke bezwaren van appellante. Met het besluit van 1 november 2013 heeft het dagelijks bestuur de onrechtmatigheid erkend van het bestreden besluit en van het besluit van 6 juli 2011, voor zover het betreft de wijziging van de norm. In een dergelijk geval is het belang bij een beoordeling in hoger beroep in beginsel komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een vergoeding voor de kosten in bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of om een vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. Nu appellante dergelijke verzoeken heeft gedaan, heeft zij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover deze zien op de wijziging van de bijstand van appellante per 28 mei 2011. De Raad zal daartoe overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5094 WWB

Datum uitspraak: 17 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

5 september 2012, 12/545 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellante)

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het dagelijks bestuur heeft op

1 november 2013 een nader besluit genomen, waarop appellante heeft gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 november 2013. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 16 juli 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. Appellante heeft 2 zonen. Haar zoon [N.] heeft op 28 mei 2011 de leeftijd van 18 jaar bereikt en komt per deze datum niet meer ten laste van appellante. Haar minderjarige zoon [T.] verblijft sinds 26 april 2011 op werkdagen in woontrainingscentrum [naam centrum] en in de weekenden en de helft van de vakantieperioden bij appellante.

1.2.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante per 28 mei 2011 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande, behoudens voor de dagen dat [T.] bij haar verblijft. Voor die dagen blijft de norm voor een alleenstaande ouder gelden.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2011, voor zover daarbij de bijstand van appellante is gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande, ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij de wijziging van de bijstand van appellante is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

3.1.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 1 november 2013 het besluit van 6 juli 2011 ingetrokken.

3.2.

Appellante voert aan dat het dagelijks bestuur met het besluit van 1 november 2013 erkent dat het bestreden besluit onjuist is, zodat dit besluit bij de aangevallen uitspraak ten onrechte in stand is gelaten. Bovendien heeft het dagelijks bestuur niet beslist op het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten en wettelijke rente.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 1 november 2013 heeft tot gevolg dat de bijstand van appellante met ingang van 28 mei 2011 ongewijzigd wordt voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hiermee komt dit besluit geheel tegemoet aan de inhoudelijke bezwaren van appellante.

4.2.

Met het besluit van 1 november 2013 heeft het dagelijks bestuur de onrechtmatigheid erkend van het bestreden besluit en van het besluit van 6 juli 2011, voor zover het betreft de wijziging van de norm. In een dergelijk geval is het belang bij een beoordeling in hoger beroep in beginsel komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een vergoeding voor de kosten in bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of om een vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. Nu appellante dergelijke verzoeken heeft gedaan, heeft zij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover deze zien op de wijziging van de bijstand van appellante per 28 mei 2011. De Raad zal daartoe overgaan.



4.3. Het verzoek van appellante om het dagelijks bestuur te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking voor zover het betreft schade in de vorm van wettelijke rente ten gevolge van het onrechtmatige besluit van 6 juli 2011. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Het gaat om de termijnen vanaf 28 mei 2011. Dit betekent dat de wettelijke rente over de termijn van 28 mei 2011 tot en met 31 mei 2011 is ingaan op 

1 juni 2011. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand.



5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,- in bezwaar, op € 874,- in beroep en op € 437,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de wijziging van de

bijstand per 28 mei 2011;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 maart 2012 voor zover het de

wijziging van de bijstand per 28 mei 2011 betreft;

- veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding aan appellante van de schade zoals onder

4.3 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.185,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

RB