Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
11-590 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn dochter in de beoordelingsperiode op basis van co-ouderschap of een omgangsregeling volgens een vast en structureel patroon een aantal dagen per week bij hem verbleef, zodat de richtlijn inzake co-ouderschap in zijn geval toepassing mist. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn bijstand in de te beoordelen periode met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB op een hoger bedrag dan de norm voor een alleenstaande moet worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/25

Uitspraak

11/590 WWB, 11/1894 WWB, 11/5219 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

10 december 2010, 10/1435 (aangevallen uitspraak 1) en 26 juli 2011, 11/885 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, in de beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Mr. Wattilete heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft een reactie gegeven op de ingediende stukken.

Desgevraagd heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar van 11 maart 2011 ingediend.

Mr. Wattilete heeft, desgevraagd, nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Jernberg.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot en met 12 oktober 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 2 december 2009 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en op 8 december 2009 heeft hij de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant opgegeven dat hij met ingang van 13 oktober 2009 bijstand wenst te ontvangen, dat hij en zijn echtgenote sinds 7 juli 2008 gescheiden wonen en dat hun kind [naam kind], geboren [in] 1999, de ene helft van de week bij hem is en de andere helft bij de moeder.

1.2.

Het college heeft deze aanvraag in eerste instantie met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Nadat het bezwaar tegen dat besluit gegrond was verklaard, heeft het college bij besluit van 19 april 2010 aan appellant alsnog met ingang van 8 december 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2010, dat gericht was tegen de ingangsdatum en de hoogte van de bijstand, ongegrond verklaard. Bij besluit van 17 september 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college de ingangsdatum van de bijstand vastgesteld op 2 december 2009.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen belang heeft bij het beroep tegen het bestreden besluit 1, omdat het college dat besluit niet langer handhaaft. Ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat aan hem in verband met bijzondere omstandigheden bijstand met terugwerkende kracht verleend dient te worden. Ten aanzien van de toegepaste bijstandsnorm heeft de rechtbank overwogen dat deze wordt vastgesteld op basis van de feitelijke situatie en dat indien het college hieromtrent bewijs verlangt, zoals informatie over een omgangsregeling, het op zijn weg ligt om appellant te verzoeken deze informatie te verschaffen.

3.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak 1 heeft het college bij besluit van 11 maart 2011 (bestreden besluit 3) het bestreden besluit 2 gehandhaafd. Daartoe heeft het college van belang geacht dat niet is gebleken dat de omgangsregeling schriftelijk en juridisch is vastgelegd. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 14 februari 2011 het college bericht dat de dochter afwisselend vier of drie dagen per week bij appellant verblijft. Daaruit valt geen vast en structureel patroon ten behoeve van de co-ouderschap of omgangsregeling op te maken. Om die reden heeft het college geen aanleiding gezien op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB aan appellant bijstand, deels naar de norm voor een alleenstaande ouder, toe te kennen.

4.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

5.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Allereerst overweegt de Raad ambtshalve dat in een situatie als de onderhavige, waarin het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak 1, waarbij het bestreden besluit 2 is vernietigd met de opdracht een nieuw besluit te nemen, een nieuw besluit neemt waarbij niet (geheel) aan de bezwaren van de betrokkene is tegemoetgekomen, het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 onder analoge toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 3. Dit betekent dat de rechtbank, die bij brief van 25 januari 2011 op de hoogte was gesteld dat namens appellant hoger beroep was ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1, niet bevoegd was om het beroep tegen bestreden besluit 3 in behandeling te nemen en dat zij zich daarom onbevoegd had moeten verklaren. Om die reden dient de aangevallen uitspraak 2, waarbij is beslist op het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3, te worden vernietigd. Met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb zal de Raad een oordeel geven over de gronden gericht tegen bestreden besluit 3.

Ingangsdatum bijstand

6.2.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9651) inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

6.2.2.

Het ligt op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 6.2.1. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het college, zoals appellant heeft aangevoerd, ten onrechte heeft verzuimd appellant een nadere toelichting te vragen op zijn verzoek om bijstand met terugwerkende kracht tot 13 oktober 2009 te verlenen. De gemachtigde van appellant heeft, desgevraagd, medegedeeld dat appellant zich pas op 2 december 2009 bij het Uwv heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand, omdat hij meende dat zijn WW-uitkering nog enige tijd zou doorlopen. Deze onjuiste opvatting van appellant over de duur van zijn WW-uitkering is ontoereikend om afwijking van genoemd uitgangspunt te rechtvaardigen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het Uwv volgens een tot de gedingstukken behorend besluit van 15 november 2009 appellant per brief van 14 oktober 2009 erop attent heeft gemaakt dat de maximum uitkeringsduur van zijn WW-uitkering op 12 oktober 2009 is verstreken.

Hoogte van de bijstandsuitkering

6.3.

In een geval waarin een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld en waarin nadien alsnog inhoudelijk op die aanvraag is beslist, loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit waarbij inhoudelijk is beslist. In dit geval loopt de te beoordelen periode van 2 december 2009 tot en met 14 april 2010.

6.4.1.

Bij een co-ouderschap, waarbij het minderjarige kind beurtelings bij één van de ouders verblijft en de zorg voor het kind door hen wordt gedeeld, kan de bijstandbehoevende ouder niet als alleenstaande of alleenstaande ouder als bedoeld in de WWB worden aangemerkt. Dit betekent dat burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen van co-ouderschap de bijstand dienen af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het individuele geval en dat het hen vrij staat terzake richtlijnen vast te stellen.

6.4.2.

Het college hanteert de richtlijn dat van co-ouderschap sprake is wanneer een kind gedurende een meer dan kortdurende bepaalde tijd (deel van de week of maand) verblijft bij de ene ouder en gedurende de rest van de week of maand bij de andere ouder. Een kortdurend verblijf bij één van de ouders in het kader van een omgangsregeling wordt niet aangemerkt als een omstandigheid van co-ouderschap. De hoogte van de toeslag op de bijstandsnorm wordt bij co-ouderschap bepaald aan de hand van de feitelijke situatie. Het moet gaan om een

co-ouderschap of omgangsregeling volgens een vast en structureel patroon. De toeslag dient te worden gebaseerd op de urenverdeling ten aanzien van de zorg van de kinderen.

6.4.3.

De gegevens die appellant heeft verstrekt over het aantal dagen per week dat zijn dochter bij hem verblijft zijn niet eenduidig. Gerapporteerd is dat appellant tijdens een intakegesprek in januari 2010 heeft verklaard dat zijn kind op basis van een onderlinge afspraak drie dagen per week, zondag, maandag en dinsdag, bij hem is, maar ook dat zijn dochter regelmatig bij hem thuis komt helpen vanwege zijn reuma. Bij schrijven van

14 februari 2011 is namens appellant opgegeven dat hij afwisselend drie of vier dagen per week de verantwoording en verzorging voor zijn dochter voor zijn rekening neemt. In hoger beroep is onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

13 november 2012 en de daarin opgenomen inhoud van het aangehechte ouderschapsplan aangevoerd dat de daarin vastgelegde regeling al dateert vanaf het moment dat appellant bijstand heeft aangevraagd. In het ouderschapsplan is geregeld dat de dochter ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur bij haar moeder verblijft, doordeweeks bij appellant en dat de schoolvakanties, feest- en verjaardagen bij helft in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld. Uit deze van elkaar afwijkende opgaven over welke dagen per week en aantal dagen waarop de dochter bij appellant verblijft kan niet worden afgeleid dat in de beoordelingsperiode al sprake was van duidelijke afspraken tussen appellant en zijn echtgenote en van een vast en structureel patroon. De omstandigheid dat, zoals appellant heeft aangevoerd, bij huisbezoeken aan zijn woning is geconstateerd dat de kamer van zijn dochter was ingericht en haar kleding in de woning aanwezig was, betekent op zichzelf niet dat appellant en zijn echtgenote ten tijde hier van belang duidelijke afspraken hadden over een vast en structureel patroon van verblijf van het kind bij appellant. Daarvoor is evenmin een aanwijzing dat de dochter van appellant bij verschillende organisatie en instanties, zoals de apotheek, de bibliotheek in [plaatsnaam] en de ouderraad van haar school, staat geregistreerd op het adres van appellant.

6.4.4.

Het standpunt van het college kan daarom worden onderschreven dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dochter in de beoordelingsperiode op basis van

co-ouderschap of een omgangsregeling volgens een vast en structureel patroon een aantal dagen per week bij hem verbleef, zodat de richtlijn inzake co-ouderschap in zijn geval toepassing mist. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn bijstand in de te beoordelen periode met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB op een hoger bedrag dan de norm voor een alleenstaande moet worden vastgesteld.

6.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, wordt bevestigd, dat de aangevallen uitspraak 2 wordt vernietigd en dat het beroep tegen het besluit van 11 maart 2011 ongegrond wordt verklaard.

7.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2011 ongegrond;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht in

het geding 11/5219 WWB van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P.J.M. Crombach

HD