Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
11-5841 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding? Hoofdverblijf in dezelfde woning. Onvoldoende grondslag voor de conclusie dat dat sprake is van wederzijdse zorg. Onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/37

Uitspraak

11/5841 WWB

Datum uitspraak: 17 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 augustus 2011, 11/698 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 12/3291 WWB, plaatsgevonden op

27 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kellermann. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten

en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij woonde ten tijde hier van belang op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding over samenwoning van appellante met een man op het uitkeringsadres heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 26 augustus 2010 op het kantoor van Werkplein Den Haag Zuidoost. Zij heeft daar een verklaring afgelegd over haar woon- en leefsituatie. Deze verklaring, opgetekend op een registratieformulier dat appellante heeft ondertekend, luidt, voor zover van belang, als volgt: “[R.] woont sinds februari bij mij. Ik help hem nadat hij een hartinfarct heeft gehad. Ik doe boodschappen, kook en maak schoon voor ons samen. [R.] betaalt geen huur, maar geeft soms geld voor een tramkaart e.d.”

1.3.

Naar aanleiding van deze verklaring heeft het college bij besluit van 26 augustus 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2010 beëindigd, op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [R.] (R).

1.4.

Bij besluit van 13 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college na bezwaar het besluit van 26 augustus 2010 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat R slechts tijdelijk bij haar verbleef en dat zij hem onderdak verleende en verzorgde omdat hij ziek was. Appellante meent dat het onderzoek onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat zij en R over en weer in elkaars zorg voorzagen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de situatie op 1 september 2010, de datum met ingang waarvan de bijstand van appellante is beëindigd (beoordelingsdatum).

4.2.

Het besluit tot beëindiging van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Vaststaat dat appellante en R op de beoordelingsdatum hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

De zorg van appellante voor R is niet in geschil. Wat betreft de zorg van R voor appellante blijkt uit de verklaring van appellante van 26 augustus 2010 en de overige stukken niet meer dan dat R appellante soms geld gaf voor een telefoon- of tramkaart en wel eens reiskosten voor haar betaalde voor een bezoek aan haar dochter in Dordrecht. De frequentie en de omvang van die bijdragen zijn onbekend. Het had op de weg van het college gelegen hierover meer duidelijkheid te verkrijgen. Dat R appellante in mei 2010 een keer naar het ziekenhuis heeft gebracht, is, gelet op de beoordelingsdatum, hier niet van belang. Dat R appellante hielp door voor haar te tolken, zoals het college stelt, vindt geen steun in de stukken. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat het college appellante en/of R verder heeft bevraagd over andere feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat R voorzag in zorg voor appellante. Dat R appellante soms geld voor een telefoon- of tramkaart gaf en wel eens reiskosten voor haar betaalde, is niet van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van zorg van R voor appellante in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Dit betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat op de beoordelingsdatum werd voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat appellante op de beoordelingsdatum een gezamenlijke huishouding voerde met R in de zin van artikel 3,

derde lid, van de WWB. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.8.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de

artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 24 maart 2010 te herroepen, nu dat besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en, gelet op tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.832,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 december 2010;

- herroept het besluit van 26 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 13 december 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD