Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12-131 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting en terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit werk. Met de verdiensten resteert voor appellante een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante had redelijkerwijs kunnen weten dat haar inkomsten van invloed konden zijn op haar uitkering. terugvordering volgens gedragslijn is op consistente wijze toegepast. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/131 WAO, 12/133 WAO

Datum uitspraak: 11 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

16 december 2011, 10/1987 en 10/1988 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Vanaf 27 februari 1999 ontvangt appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel Zuid Limburg van 20 april 1999 is per 19 april 1999 in het handelsregister als schoenherstellersbedrijf ingeschreven de vennootschap onder firma [naam firma]. met vermelding van appellante en haar echtgenoot als vennoten.

2.1. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het Uwv aan appellante bericht dat haar

WAO-uitkering vanaf 1 januari 2006 tot 1 januari 2009 geheel wordt gekort wegens inkomsten uit werk in die periode. Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het Uwv met verwijzing naar het besluit van 10 juni 2010 van appellante de over de periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2009 betaalde uitkeringen tot het bedrag van € 23.740,56 teruggevorderd.

2.2. Bij besluiten van 8 december 2010 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 10 juni 2010 en 2 augustus 2010 ongegrond verklaard. Met betrekking tot het alsnog vanaf 1 januari 2006 tot 1 januari 2009 geheel korten van de uitkering heeft het Uwv in bestreden besluit 1 met verwijzing naar een arbeidskundig rapport van 10 november 2010 overwogen dat toepassing wordt gegeven aan artikel 44 van de WAO, omdat met de verdiensten voor appellante een mate van arbeidsongeschiktheid resteert van minder dan 15% en appellante redelijkerwijs had kunnen weten dat haar inkomsten van invloed konden zijn op haar uitkering. Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv overwogen dat naar aanleiding van bestreden besluit 1 is gebleken dat teveel uitkering is betaald. Gelet op artikel 57 van de WAO acht het Uwv zich verplicht om tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan, behoudens dringende redenen, waarvan is geconcludeerd dat deze zich gelet op de daarover bestaande jurisprudentie niet voordoen.

3.

Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming als uitgangspunt genomen dat in de jaren 2006, 2007 en 2008 bij appellante sprake was van inkomsten uit arbeid als zelfstandige uit de onderneming van [naam firma]. met een toegepaste winstverdeling van 60%-40%. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is gebleken dat de arbeidskundige berekening van het maatmanuurloon en de vaststelling van de feitelijke mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is, gelet op de gehanteerde gegevens van de belastingdienst en de aan appellante toe te rekenen winst voor 40%. Op grond van deze omstandigheden kon het Uwv volgens de rechtbank het standpunt innemen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij teveel uitkering ontving, zodat artikel 44 van de WAO kon worden toegepast. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen zoals in artikel 57 van de WAO bedoeld en tot slot vastgesteld dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet in geschil is.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante, met verwijzing naar de in beroep aangevoerde gronden, herhaald dat zij vanaf 1999 heeft gemeld dat zij activiteiten in de zaak van haar partner verrichtte. Het Uwv heeft naar aanleiding van die meldingen nooit vragen gesteld. Het Uwv heeft haar recht verwerkt. Ten onrechte wordt dan ook uitkering teruggevorderd.

4.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift met betrekking tot bestreden besluit 1 allereerst alsnog het standpunt ingenomen dat het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2010

niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Naar aanleiding van hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft het Uwv bestreden dat appellante bij contacten met de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft meegedeeld dat zij werkzaam was en dat 40% van de winst haar toekwam. Ook zijn volgens het Uwv nimmer jaarstukken opgestuurd. Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het door Uwv bepleite standpunt, dat bij bestreden besluit 1 het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2010 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, slaagt niet. In bestreden besluit 1 is met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar uitdrukkelijk overwogen dat de verzending van het besluit van 10 juni 2010 niet aannemelijk kon worden gemaakt. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv verklaard dat geen nadere gegevens over de verzending van dat besluit bekend zijn geworden, zodat die verzending in rechte niet kan worden aangenomen. Het nadien ingediende bezwaarschrift is terecht in behandeling genomen.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellante als medevennoot in [naam firma]. in de jaren 2006, 2007 en 2008 40% van de winst toekwam en dat de arbeidskundige berekening van de gevolgen voor haar uitkering als zodanig juist zijn.

5.3.

In de uitspraak van de Raad van 5 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717, is overwogen dat in het geval aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat de bewoordingen evenals doel en strekking van dit artikel er in beginsel niet aan in de weg staan dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Indien met toepassing van artikel 44 van de WAO inkomsten uit arbeid worden geanticumuleerd, zal in de regel sprake zijn van anticumulatie met terugwerkende kracht. Te denken valt aan de situatie van de zelfstandige, die na ommekomst van een boekjaar de gegevens over de door hem genoten inkomsten in dat boekjaar aan het Uwv dient op te geven, of aan de situatie dat een betrokkene zijn inkomsten niet aan het Uwv heeft gemeld en het Uwv op een later moment van die inkomsten uit arbeid op de hoogte wordt gesteld

5.4.

Voorts blijkt uit de uitspraak van 5 november 2008 dat het Uwv in lijn met de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000 (Stcrt. 2000, 89) van toepassing van artikel 44 van de WAO pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering wordt ontvangen.

5.5.

Deze door het Uwv, ook onder de Beleidsregels van 17 oktober 2006 (Stcrt. 2006, 230), die de Regeling van 18 april 2000 heeft vervangen, bestendig gehanteerde gedragslijn - de Regeling is immers niet rechtstreeks van toepassing op artikel 44 van de WAO - dient op één lijn te worden gesteld met een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

5.6.

De Raad is van oordeel dat deze gedragslijn in dit geval op consistente wijze is toegepast. Uit de fiscale gegevens en jaarrekeningen over de jaren 2006, 2007 en 2008 blijkt dat appellante winst uit onderneming met toepassing van zelfstandigenaftrek heeft genoten hetgeen geleid heeft tot aanslagen inkomstenbelasting vanwege belastbaar inkomen uit werk en woning in de betreffende jaren. Uit het verslag van de hoorzitting van 8 november 2010 blijkt voorts dat appellante tijdens de hoorzitting heeft meegedeeld dat zij per 1 januari 2006 werkzaamheden is gaan verrichten. Niet gebleken is dat appellante daarvan toen mededeling heeft gedaan, noch dat zij van de aan haar toegerekende verdiensten vanaf het jaar 2006 opgave heeft gedaan of de betreffende jaarstukken heeft ingezonden.

5.7.

Dat appellante aan het Uwv in het aanvraagformulier om voortzetting van haar uitkering op 19 oktober 2003 heeft vermeld dat zij als zelfstandige werkt met de toelichting “als mogelijk samen met partner in schoenmakerij” en dat de arbeidsdeskundige Kramer-Simons bij de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante in haar rapport van

11 oktober 2005 heeft geconcludeerd dat er gelet op de beperkingen van appellante geen functies zijn te duiden, leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar kan de toepassing van artikel 44 van de WAO onder omstandigheden in strijd komen met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel een ander ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, maar zodanige strijd kan in dit geval niet worden vastgesteld. Uit de door appellante ingebrachte stukken en de herbeoordeling in 2005 blijkt niet van een schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging of van gerechtvaardigde verwachtingen die meebrengen dat het Uwv - in weerwil van de verplichting daartoe voortvloeiend uit artikel 44 van de WAO - niet tot anticumulatie mocht besluiten. Het beroep van appellante op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet.

5.8.

Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.6 volgt dat de rechtbank terecht als vaststaand heeft aangenomen dat de uitkering over de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2009 onverschuldigd is betaald. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad onder 5.7 heeft overwogen, verwerpt de Raad het standpunt van appellant dat de terugvordering in strijd zou zijn met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Hetgeen appellant in dat verband heeft aangevoerd brengt niet mee dat het Uwv niet gehouden is tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald.

5.9.

Uit vaste rechtspraak van de Raad - waaronder de uitspraak van 20 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN4765) - vloeit voort dat slechts van een dringende reden kan worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. Met de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat geen sprake is van zodanige dringende redenen. De omstandigheid dat het Uwv geruime tijd geen actie heeft ondernomen levert geen dringende reden op.

6.

Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.9 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

IvR