Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12-4957 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en (bruto) terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen opgave van (alle) werkzaamheden. Boete. Verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4957 WW

Datum uitspraak: 11 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 juli 2012, 12/1001 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Liefting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Tason Avila, kantoorgenoot van mr. Liefting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving vanaf 1 mei 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 27,02 per week. Appellant heeft zich per 29 juni 2009 ziek gemeld. Met ingang van 28 september 2009 is het recht op

WW-uitkering geëindigd en is appellant een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW), berekend naar een dagloon van € 72,12. Nadat appellant zich hersteld had gemeld, heeft het Uwv hem vanaf 9 september 2010 weer een WW-uitkering verstrekt. De

WW-uitkering is per 5 september 2011 geëindigd.

1.2. Naar aanleiding van een ontvangen signalering dat appellant werkzaamheden verrichtte, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte WW- en ZW-uitkering. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellant in de periode van

27 april 2009 tot en met 2 januari 2011 voor [naam café] en van 5 juli 2010 tot en met 18 juli 2010 voor[naam werkgever] werkzaamheden heeft verricht naast zijn uitkering.

1.3. Bij besluit van 30 september 2011 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 27 april 2009 herzien en over de periode van 27 april 2009 tot en met 2 januari 2011 € 4.316,18 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde

WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van eveneens 30 september 2011 (besluit 2) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat het ZW-dagloon op basis van onjuiste gegevens is vastgesteld en bepaald dat het ZW-dagloon vanaf 28 september 2009 € 32,07 bedraagt.

1.5. Bij een derde besluit van 30 september 2011 (besluit 3) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 28 september 2009 herzien, omdat vanaf die datum een onjuist dagloon is gehanteerd en omdat Uwv niet op de hoogte was van de werkzaamheden van appellant voor[naam werkgever]. Tevens is over de periode van 28 september 2009 tot en met 13 september 2010 een bedrag van € 7.304,60 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 19 oktober 2011 (besluit 4) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 52,-, omdat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn werkzaamheden bij[naam werkgever] niet te melden aan het Uwv.

1.7. Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant tegen besluit 1 tot en met besluit 4 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Volgens appellant heeft hij altijd alles doorgegeven aan zijn werkcoaches. Deze contacten hebben veelal telefonisch plaatsgevonden. Dat deze telefonische contacten niet goed zijn bijgehouden door het Uwv betekent niet dat het risico daarvan op hem dient te worden afgewenteld. Appellant beroept zich voorts op dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel van terugvordering had moeten afzien. Volgens appellant hebben de terugvorderingen grote sociale en financiële gevolgen voor hem. Indien de Raad tot het oordeel komt dat het Uwv mocht overgaan tot terugvordering dan stelt appellant dat het Uwv slechts de netto onverschuldigd betaalde uitkering van hem mag terugvorderen. Appellant kan zich ook niet verenigen met de opgelegde boete. Volgens appellant is geen sprake geweest van een schending van de inlichtingenplicht en valt hem in ieder geval niet subjectief een verwijt te maken van niet ontvangen inlichtingen door het Uwv.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft op zijn inkomstenformulier WW alleen over de periode van 25 mei 2009 tot en met 21 juni 2009 een opgave gedaan van zijn werkzaamheden voor [naam café] De overige werkzaamheden voor [naam café] heeft hij niet doorgegeven aan het Uwv. Ook de werkzaamheden voor[naam werkgever] heeft appellant niet gemeld aan het Uwv. Voor de stelling van appellant dat hij zijn werkzaamheden steeds telefonisch heeft doorgegeven aan zijn werkcoach is geen steun te vinden in de stukken. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende verslagen van de contacten tussen appellant en zijn werkcoaches blijkt dat appellant wel heeft gesproken over een mogelijke werkhervatting in oktober 2009, maar daaruit blijkt niet van een concrete opgave van gewerkte uren. Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat het Uwv de contacten tussen appellant en zijn werkcoaches niet goed heeft bijgehouden. Ook in de e-mail van 22 september 2009 heeft appellant slechts melding gemaakt van zijn voornemen om werkzaamheden te gaan verrichten in het restaurant van een vriend. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij met betrekking tot de contacten met zijn werkcoaches niet beschikt over andere stukken dan die zich reeds in het dossier bevinden. De conclusie is dan ook dat appellant zijn inlichtingenplicht niet volledig is nagekomen. Het Uwv was op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW respectievelijk artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW verplicht de WW-uitkering met ingang van 27 april 2009 en de ZW-uitkering vanaf 28 september 2009 te herzien.

4.2.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering en ZW-uitkering van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9152) blijkt dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de terugvordering voor een verzekerde, gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Appellant heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit dergelijke onaanvaardbare gevolgen blijken.

4.3.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv slechts de netto onverschuldigd betaalde WW-uitkering en ZW-uitkering van hem mocht terugvorderen. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4066) vindt terugvordering plaats in de vorm van bruto te veel betaalde bedragen indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Dat is ook het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering (Stcrt. 1999, 75). Aanvullend hanteert het Uwv het beleid dat ook na afloop van het fiscale jaar kan worden volstaan met terugbetaling van netto-uitkering als de uitkeringsgerechtigde binnen een redelijke termijn na ontvangst van het te veel betaalde te kennen heeft gegeven dat hij het te veel betaalde niet wil behouden en hij het te veel betaalde direct na terugvordering ook daadwerkelijk terugbetaalt.

4.4.

Appellant heeft het netto te veel betaalde bedrag aan WW- en ZW-uitkering niet terugbetaald in het belastingjaar waarin door hem ten onrechte WW- en ZW-uitkering is ontvangen. Appellant voldoet verder niet aan de voorwaarde dat hij binnen een redelijke termijn na ontvangst van het teveel betaalde kenbaar heeft gemaakt dat hij het teveel betaalde niet wil behouden. Evenmin heeft appellant het te veel betaalde direct na terugvordering terugbetaald. Door het onverschuldigd betaalde bruto terug te vorderen heeft het Uwv daarom in overeenstemming met zijn beleid gehandeld.

4.5.

Artikel 45a van de ZW verplicht het Uwv een boete op te leggen aan de werknemer die zijn inlichtingenverplichting niet nakomt. Het enkele feit dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, is niet voldoende voor het opleggen van een boete. Daartoe is ook vereist dat appellant ter zake van die overtreding subjectief een verwijt kan worden gemaakt (CRvB 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780). Bovendien zal bij verwijtbaarheid de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarvan deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden van het geval.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat appellant ter zake van het niet melden van zijn werkzaamheden bij[naam werkgever] niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt valt te maken. Het feit dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, bij aanvang van zijn werkzaamheden voor[naam werkgever] een loonbelastingverklaring heeft ingevuld, laat onverlet dat hij ten behoeve van de uitvoering van de ZW deze werkzaamheden moest melden aan het Uwv. De boete van € 52,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.E.P.M. Bary

RB