Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
11-3188 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellant in aanmerking te brengen voor Zorgzwaartepakket VG07. Niet voldaan aan een van de voorwaarden in het beleid. Geen aanleiding voor het oordeel dat de gedragsproblematiek van appellant niet met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3188 AWBZ

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

27 april 2011, 10/8867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hulsbosch, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Voor appellant zijn

mr. Hulsbosch en de vader van appellant, [naam vader], verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft aanzienlijke verstandelijke en psychische beperkingen. CIZ heeft op

grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie gegeven voor Zorgzwaartepakket (ZZP) VG07, klasse 7, in de periode van 15 augustus 2009 tot en met

15 augustus 2010.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om voortzetting van de zorg heeft CIZ bij

besluit van 16 augustus 2010 een indicatie gegeven voor ZZP VG06, klasse 7, in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 15 augustus 2015.

1.3.

Bij besluit van 9 november 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het

besluit van 16 augustus 2010 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat ZZP VG06 het best aansluit bij de zorgbehoefte van appellant. CIZ stelt zich op het standpunt dat appellant niet in aanmerking komt voor ZZP VG07. Volgens CIZ kan de gedragsproblematiek van appellant namelijk met reguliere middelen worden behandeld of begeleid.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van CIZ dat de gedragsproblematiek van appellant met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid, onderschreven en daartoe het volgende overwogen:

“In het “Signaleringsplan van de dagbesteding” van december 2010 staat het volgende vermeld. “Indien betrokkene forse gedragsproblemen vertoont maakt de begeleiding, gedurende zeker 20 minuten, een stevige wandeling met betrokkene om hem te kalmeren. Indien de spanning/agressie na de wandeling nog aanwezig is wordt de vader van betrokkene gebeld om toestemming te vragen om medicatie toe te dienen. Het afgelopen jaar is het niet nodig geweest dit toe te dienen omdat een flinke wandeling het gewenste resultaat had”. Zoals blijkt uit het aanvullende medisch advies van 14 februari 2011, dat verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft laten opstellen, leidt medisch adviseur

G. Froklage-Amer uit voornoemd Signaleringsplan af dat, indien een veilige, voorspelbare omgeving kan worden geboden met veel structuur, permanent toezicht, duidelijke regels en afspraken, de gedragsproblematiek van eiser (vooralsnog) met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het oordeel van deze medisch adviseur.”

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat zijn gedragsproblematiek niet met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid, zodat een indicatie voor ZZP VG07 moet worden gegeven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

CIZ hanteert de beleidsregel dat voor een indicatie voor ZZP VG07 aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

- een onderbouwde conclusie dat er sprake is van chronische ernstige gedragsproblematiek die niet met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid;

- een zogeheten CEP-score van drie of hoger.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of is voldaan aan de eerstgenoemde voorwaarde.

4.2.

De rechtbank is gelet op de onder 2 opgenomen overwegingen terecht tot het oordeel gekomen dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. De gronden in hoger beroep en het verhandelde ter zitting van de Raad geven geen aanleiding voor het oordeel dat de gedragsproblematiek van appellant niet met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid. Uit de verklaring van de vader van appellant ter zitting is gebleken dat fixatie bij appellant niet plaatsvindt. Slechts af en toe komt het voor dat appellant niet naar de dagbesteding gaat en dan thuis wordt gehouden. Verder is uit zijn verklaring gebleken dat appellant op de dagbesteding in het geval van gedragsproblemen geen kalmerende medicatie inneemt en dat het innemen van hogere doseringen kalmerende medicatie thuis slechts incidenteel plaatsvindt.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd en het verzoek om veroordeling van CIZ tot vergoeding van renteschade zal worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) G.J. van Gendt

QH