Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
13-2863 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, wordt met de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige een voldoende basis vormt voor het standpunt dat appellant met ingang van 4 juli 2008 geschikt is te achten voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Het Uwv heeft dan ook terecht de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 juli 2008 beëindigd. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2863 ZW

Datum uitspraak: 11 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 april 2013, 08/3093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Namens appellant is verschenen mr. De Ploeg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.

Met ingang van 6 januari 2006 is appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

2.

Appellant heeft zich op 7 april 2008 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 4 juli 2008 beëindigd op de grond dat appellant weer geschikt is voor de hem geduide functies. Bij besluit van 30 september 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard.

3.1.

De rechtbank heeft psychiater R. Tonneijck benoemd als deskundige. De rechtbank heeft de deskundige onder meer gevraagd welke beperkingen appellant op 4 juli 2008 had. De deskundige heeft appellant onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een op 7 juni 2011 door de rechtbank ontvangen ongedateerd rapport. De deskundige heeft geconcludeerd dat er beperkingen in de activiteiten van appellant waren betreffende zijn handelingstempo en zijn concentratie (matig).

3.2.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft de bezwaarverzekeringsarts op 30 juni 2011, nader toegelicht op 29 augustus 2011, gerapporteerd dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op de beoordelingspunten 1.1 ‘vasthouden van de aandacht’ (voorheen concentreren) en 1.9.8 ‘geen hoog handelingstempo’ extra beperkingen worden aangenomen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en is blijkens haar rapport van 5 juli 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van de extra beperkingen per 4 juli 2008 geschikt was voor ten minste twee van die functies.

3.3.

Op een nadere vraag van de rechtbank heeft de deskundige bij brief van 14 juni 2012 geantwoord dat hij zich kan verenigen met het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts zoals beschreven in zijn rapport van 29 augustus 2011.

3.4.

In haar tussenuitspraak van 11 oktober 2012, 08/3093, heeft de rechtbank - voor zover hier relevant - overwogen dat zij de motivering van de bezwaarverzekeringsarts, voor zover het gaat om de vertaling van de door de deskundige vastgestelde beperking ten aanzien van handelingstempo met het aannemen van een beperking op item 1.9.8, onvoldoende acht. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het Uwv in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen.

3.5.

Het Uwv heeft met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2012 gereageerd op de opdracht die in die tussenuitspraak is gegeven.

3.6.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

5 juli 2011 voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat, indien rekening wordt gehouden met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde extra beperkingen ten aanzien van concentratie en handelingstempo, nog twee van de eerder aan appellant voorgehouden functies passend zijn. De rechtbank heeft het bestreden besluit echter vernietigd, omdat eerst in de beroepsfase door het Uwv een voldoende toelichting en onderbouwing is gegeven. De rechtbank is evenwel tot de slotsom gekomen dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft besloten de aan appellant toegekende uitkering op grond van de ZW per 4 juli 2008 te beëindigen. Tevens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.

4.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte van de door de deskundige genoemde beperkingen is uitgegaan. Met name heeft appellant bezwaar tegen diens oordeel dat hij per datum in geding in staat moet worden geacht om 40 uren per week te werken. In de FML dient ook een urenbeperking te worden opgenomen alsmede beperkingen op gebied van sociaal functioneren. Appellant heeft erop gewezen dat de bevindingen en de diagnose van de deskundige verschillen van de bevindingen van zijn behandelend psychiater

S. Sidali. De deskundige had daarom overleg moeten voeren met de behandelend psychiater. De rechtbank heeft hem daarom ten onrechte geschikt geacht voor de twee resterende functies die hem waren voorgehouden.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak dient onder “zijn arbeid” te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de

Wet WIA. In dit geding staat daarom de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op 4 juli 2008 zodanig was, dat hij (weer) in staat was ten minste één van de geselecteerde functies te vervullen.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over de medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat de deskundige geen overleg heeft gevoerd met de behandelend psychiater doet hieraan niet af. De deskundige was daartoe niet gehouden, ook al omdat hij reeds over informatie van deze behandelaar beschikte. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens terecht en met inachtneming van de bevindingen van de deskundige aanvullende beperkingen vastgesteld in de FML. Daarbij is in voldoende mate rekening gehouden met de door de deskundige gestelde beperkingen ten aanzien van concentratie en handelingstempo. Appellant heeft weliswaar gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen op de betreffende onderdelen, maar heeft geen medische gegevens aangedragen ter ondersteuning van dat standpunt.

5.3.

Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, wordt met de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige een voldoende basis vormt voor het standpunt dat appellant met ingang van 4 juli 2008 geschikt is te achten voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Het Uwv heeft dan ook terecht de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 juli 2008 beëindigd.

5.4.

Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7.1.

Met betrekking tot het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt het volgende overwogen.

7.2.

Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek wordt verwezen naar de uitspraak van

26 januari 2009, LJN BH1009.

7.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 1 juli 2008 tot de datum van deze uitspraak op

11 december 2013 zijn vijf jaar, vijf maanden en elf dagen verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv twee maanden en drie weken in beslag genomen, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 17 oktober 2008 tot de uitspraak op 18 april 2013 vier jaar en zes maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 28 mei 2013 tot deze uitspraak op 11 december 2013 zes maanden en twee weken geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

7.4.

De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met

- eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    bepaalt dat het onderzoek onder nummer 13/6404 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) G.J. van Gendt

QH