Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
11-2751 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ontslag. De arbeidsverhouding met appellante is in een impasse geraakt die een ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de ARG rechtvaardigde. Minimale regeling getroffen. Niet valt in te zien dat deze regeling als ontoereikend is te beschouwen. Er is geen sprake van een overwegend aandeel van het college in het ontstaan of voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van appellante heeft geleid. 2) Omzetting naar de nieuwe salarisstructuur vanwege het bereiken van de hoogste trede in de uitlooprang. 3) Bezwaar is door het college terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 4) Bijlagen bij een pleitnota zijn geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5) Plaatsing bij de dienst OCSW. Appellantes bezwaar tegen deze plaatsing is terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het daaraan, gelet op het na de ziekmelding van appellante feitelijk geen doorgang meer vinden van de plaatsing, komen te ontvallen van een procesbelang. 6) Teruggedraaide korting op de bezoldiging. Ook hier zijn de bezwaren van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het komen te ontbreken van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/11

Uitspraak

11/2751 AW, 11/2752 AW, 11/5138 AW, 12/6649 AW, 12/6650 AW, 12/6656 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van

24 maart 2011, 10/350 (aangevallen uitspraak 1) 24 maart 2011, 10/761 (aangevallen uitspraak 2), 22 juli 2011, 10/1020 (aangevallen uitspraak 3), 28 november 2012, 12/529 (aangevallen uitspraak 4), 28 november 2012, 12/530 (aangevallen uitspraak 5) en

28 november 2012, 12/531 (aangevallen uitspraak 6)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het College van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Elgersma, advocaat,

mr. W.C. Voogd, S.H. Elsinga en H. Korblet.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante was werkzaam bij de gemeente Groningen, dienst Sociale Zaken en Werk (voorheen dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten). Vanaf 1991 was zij werkzaam als chef NWU (niet-wijkgebonden unit). In 1994 is een traject van functiebeschrijving en -waardering opgestart.

1.1.

Met ingang van 1 augustus 1996 is in de gemeente een nieuwe salarisstructuur van kracht geworden. Deze heeft geen wijziging gebracht in de maximum salarissen, maar wel in het aantal treden waarbinnen het maximum wordt bereikt. Zittende medewerkers behielden hun salaris volgens de oude structuur, maar gingen bij het bereiken van het maximum van hun uitlooprang alsnog over op de nieuwe structuur.

1.2.

Met ingang van 1 januari 1997 is de functie van chef NWU opgeheven. Bij besluit van

15 januari 1997 is appellante, met ingang van 1 januari 1997, benoemd in de functie van hoofd NWU. Zij is daarbij ingeschaald op rangniveau XI-A, trede 6, hetgeen een salarishoogte inhoudt die overeenkomt met trede 10 van het tot 1 januari 1997 toegepaste rangniveau XI, zijnde de inschaling die vanaf genoemde datum van toepassing zou zijn geweest als appellante laatstgenoemd rangniveau zou hebben behouden. In de loop van 1997 heeft appellante, in overleg met haar leidinggevende, haar functie neergelegd.

1.3.

In zijn vergadering van 21 januari 1998 heeft het college alsnog besloten de rang van de inmiddels opgeheven functie van chef NWU met ingang van 1 juli 1994 vast te stellen op niveau XI-A. Hiervan is mededeling gedaan in een brief aan appellante van 24 maart 1998 (besluit 1). Appellantes rangniveau en salaris ondergaan geen wijziging, aldus de brief.

1.4.

In 2000 zijn appellante en het college tot een aantal afspraken gekomen over appellantes toekomst. Deze afspraken, die door het college zijn vastgelegd in een brief aan appellante van 12 september 2000, houden het volgende in. Appellante wordt met behoud van haar rechtspositie aangemerkt als herplaatsingskandidaat. De Sociale Leidraad van de gemeente Groningen is op haar van toepassing. Einddatum van het herplaatsingstraject is 1 januari 2002. Appellante zal, voor de duur van een jaar, worden gedetacheerd bij de Stichting Workparade.

1.5.

Appellante is tot medio 2002 voor genoemde stichting werkzaam geweest. Vervolgens heeft zij zich, met behoud van haar rechtspositie en haar status van herplaatsingskandidaat, beziggehouden met de oprichting van een platform Diversiteit. Dit heeft niet geleid tot een vaste arbeidsplaats voor appellante.

1.6.

Bij besluit van 28 november 2005 is appellante bevorderd naar uitlooprang XII. In de periode nadien heeft het college appellante een aantal interne vacatures voorgehouden. Dit heeft niet geleid tot een succesvolle sollicitatie. Een aanbod om namens de dienst deel te gaan nemen aan het samenwerkingsverband “Plaza Migranta” is door appellante in januari 2007 afgeslagen.

1.7.

Vanaf 2008 heeft het college zich ingespannen om een aantal herplaatsingskandidaten, onder wie appellante, door middel van tijdelijke plaatsingen buiten de eigen dienst weer in het arbeidsproces terug te laten keren. In dat kader zijn de mogelijkheden tot een plaatsing bij de dienst Ruimtelijke Ontwikkeling/Economische Zaken bezien, maar deze plaatsing heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft het college appellante bij besluit van 10 september 2008 (besluit 2), met ingang van 1 september 2008, voor de duur van een jaar en met behoud van haar status als herplaatsingskandidaat, geplaatst bij de dienst Onderwijs, Cultuur, Sport en Welzijn (OCSW). Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 1 september 2008 is zij met haar werkzaamheden bij genoemde dienst begonnen. Op 3 september 2008 heeft zij zich ziek gemeld. Appellante is niet meer teruggekeerd bij de dienst OCSW.

1.8.

Bij besluit van 18 september 2008 (besluit 3) is appellante, vanwege het reeds per

1 januari 2006 bereiken van de maximumtrede van haar uitlooprang in de oude salarisstructuur, met ingang van 1 november 2008 ingeschaald op niveau 12, trede 11, volgens de onder de 1.1 bedoelde, nieuwe salarisstructuur. Dit had geen wijziging van de hoogte van het salaris tot gevolg. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.9.

Bij besluit van 12 februari 2009 (besluit 4) heeft het college de bezoldiging van appellante met ingang van 3 maart 2009 teruggebracht tot 90%, dit omdat op die datum zes maanden waren verstreken sinds de ziekmelding van appellante. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 juni 2009 (besluit 5) heeft het college appellante, in vervolg op genoemd besluit, medegedeeld dat de korting op het salaris over de maand mei 2009, 10% bedraagt. Appellante heeft ook daartegen bezwaar gemaakt.

1.10.

Intussen heeft de toenmalige gemachtigde van appellante op 16 december 2008 een gesprek gevoerd met de gemachtigde van het college. Namens het college is daarbij te kennen gegeven dat herplaatsing van appellante binnen de gemeente nog steeds het uitgangspunt is, zij het dat het college een einddatum aan het herplaatsingstraject wil verbinden waarna, in geval van het opnieuw uitblijven van resultaat, reorganisatieontslag of ontslag op andere gronden aan de orde zal zijn. Het college heeft verder de wens te kennen gegeven dat onderzoek wordt gedaan naar de arbeidsmogelijkheden van appellante. De gemachtigde van appellante heeft in dat verband inschakeling van het Bureau Arbeid en Gezondheid (BAG) gesuggereerd. Op verzoek van de gemeente heeft dit bureau op 19 februari 2009 een offerte uitgebracht. Op 25 februari 2009 heeft het college de gemachtigde van appellante verzocht te laten weten of appellante haar medewerking aan het onderzoek door BAG wilde verlenen. Appellante heeft zich tot een nieuwe gemachtigde gewend. Bij brief van 4 maart 2009 heeft deze nieuwe gemachtigde laten weten dat appellante niet zal meewerken aan een onderzoek door BAG, omdat zij de meerwaarde van een dergelijk onderzoek niet inziet. De kwaliteiten van appellante, die al 31 jaar werkzaam is bij de gemeente, zijn, aldus genoemde brief, nagenoeg bekend.

1.11.

Op 24 april 2009 heeft het college appellante in kennis gesteld van zijn voornemen haar ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Groningen (ARG). Nu appellante niet wil meewerken aan een onderzoek naar haar arbeidsmogelijkheden en -beperkingen is, aldus het voornemen, herplaatsing onmogelijk geworden en is een impasse ontstaan. In haar zienswijze naar aanleiding van dit voornemen heeft appellante onder meer laten weten geen bezwaar te hebben tegen het ondergaan van een deskundigenonderzoek, mits het door een neutraal en objectief bedrijf wordt uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellante bij brief van 8 juni 2009 een laatste kans geboden om alsnog het onderzoek door BAG te ondergaan. In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellante het college op 26 juni 2009 meegedeeld dat blijkbaar een misverstand is ontstaan over wat appellante heeft willen aangeven. Appellante heeft, aldus genoemde brief, willen aangeven dat ze in het verleden vaak genoeg heeft meegewerkt aan onderzoeken en dat ze thans geen enkele meerwaarde ziet in een nieuw onderzoek. Gezien haar leeftijd en ervaring moge het duidelijk zijn wat de capaciteiten van appellante zijn, zo stelt de brief verder.

1.12.

Op 9 juli 2009 heeft het college appellante laten weten dat de per 3 maart 2009 toegepaste korting op haar bezoldiging, middels een correctie op het salaris van augustus 2009, ongedaan zal worden gemaakt, nu uit nader overleg met de bedrijfsarts is gebleken dat appellante reeds per 26 september 2008 volledig hersteld was. Bij besluit van eveneens 9 juli 2009, verzonden op 23 juli 2009, (besluit 6) heeft het college appellante, met ingang van

1 september 2009, ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de ARG. Daarbij zijn een WW-uitkering, een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering gegarandeerd. Appellante heeft tegen besluit 6 eveneens bezwaar gemaakt.

1.13.

Het college heeft bij besluit van 19 februari 2010 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen besluit 6 ongegrond verklaard.

1.14.

Appellante heeft op 21 maart 2010 bezwaar gemaakt tegen besluit 1. Naar haar zeggen heeft zij dit besluit destijds nooit ontvangen en heeft zij daarvan pas kennisgenomen in het kader van de bezwaarprocedure inzake besluit 3.

1.15.

Bij besluit van 21 juni 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellante tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Bij besluit van 6 september 2010 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar van appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.

1.16.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep van appellante tegen bestreden besluit 3 is namens het college een pleitnota met een tweetal bijlagen overgelegd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de bedoelde bijlagen. Dit bezwaar is bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit 4) niet-ontvankelijk verklaard.

1.17.

Het bezwaar tegen besluit 2 is bij besluit van eveneens 23 april 2012 (bestreden besluit 5) niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van eveneens 23 april 2012 (bestreden besluit 6) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 4 en 5 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is een vergoeding van bezwaarkosten ten bedrage van € 218,50 toegekend.

2.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, bij aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, bij aangevallen uitspraak 3 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard, bij aangevallen uitspraak 4 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 4 ongegrond verklaard, bij aangevallen uitspraak 5 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 5 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 6 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 6 ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

3.1.

Aangevallen uitspraak 1 betreft het aan appellante verleende ontslag. Het college stelt zich op het standpunt dat de arbeidsverhouding met appellante in een impasse is geraakt die een ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de ARG rechtvaardigde.

3.1.1.

Appellante heeft gedurende zeer lange tijd de status van herplaatsingskandidaat gehad. De aanvankelijke afgesproken einddatum 1 januari 2002 is niet geëffectueerd. Daar waar appellante in de beginfase van het herplaatsingstraject nog enkele malen tijdelijke werkzaamheden heeft verricht, was dat in latere jaren niet meer aan de orde. Voorafgaand aan de plaatsing van appellante bij de dienst OCSW zijn diverse andere opties verkend, maar deze verkenningen zijn stuk voor stuk op niets uitgelopen. Het al na enkele dagen uitvallen van appellante bij genoemde dienst hield, zo is door de bedrijfsarts gemeld, geen verband met een onderliggend ziektebeeld, maar met spanningen vanwege, nu juist, de plaatsing aldaar. Een en ander levert onmiskenbaar het beeld op van een dreigende impasse in de verhoudingen tussen het college en appellante.

3.1.2.

Het college heeft de bedoelde dreiging willen afwenden door middel van een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en -beperkingen van appellante. Voor zover appellante ook thans nog de mening is toegedaan dat een dergelijk onderzoek, gelet op datgene wat zij in het verleden heeft laten zien, overbodig was, deelt de Raad die opvatting niet. Gezien appellantes langdurige afwezigheid uit het arbeidsproces en de mislukte plaatsing bij de dienst OCSW, had een onderzoek als door het college beoogd zonder meer toegevoegde waarde. Het college heeft niet ten onrechte gemeend dat daarin een laatste kans was gelegen op een uitweg uit een situatie die, nogmaals, uitzichtloos dreigde te worden. De Raad deelt dan ook de opvatting van het college dat appellantes weigerachtigheid om het bewuste onderzoek te ondergaan, de impasse tot een feit heeft gemaakt. De bedenkingen die appellante in de bezwaarfase heeft geuit tegen specifiek het onderzoeksbureau BAG, kunnen dat evenmin anders maken als haar afstand nemen achteraf van het optreden van de beide gemachtigden die haar in deze kwestie hebben vertegenwoordigd. Op het moment waarop het onderzoek aan de orde was heeft appellante, bij monde van haar nieuwe gemachtigde, een en andermaal klip en klaar geweigerd dit te ondergaan, ongeacht door wie het zou worden uitgevoerd. Het college heeft mogen uitgaan van de bedoelde mededelingen van de gemachtigde. In de enkele verwijzing naar een “neutraal en objectief” onderzoeksbureau in appellantes - zelf opgestelde - zienswijze naar aanleiding van het ontslagvoornemen, heeft het college geen verzoek om inschakeling van een ander bureau dan BAG behoeven te lezen, te minder gelet op hetgeen de gemachtigde over die zienswijze heeft opgemerkt in haar brief van 26 juni 2009. Het college was dus gerechtigd om op de gehanteerde grondslag tot het ontslag van appellante over te gaan.

3.1.3.

Artikel 10d:4, eerste lid, van de ARG bepaalt dat het college voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 van de ARG wordt ontslagen, een passende regeling treft. In dit geval is een minimale regeling getroffen, inhoudende dat de uitkeringsrechten van appellante zijn gegarandeerd. Niet valt in te zien dat deze regeling als ontoereikend is te beschouwen. Er is geen sprake van een overwegend aandeel van het college in het ontstaan of voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van appellante heeft geleid. Het moge zo zijn dat het herplaatsingstraject zeer langdurig is geweest en dat het college de situatie in zoverre te veel op zijn beloop heeft gelaten, maar daarvan staat los dat appellante zich gaandeweg het traject steeds moeilijker inpasbaar heeft betoond in het arbeidsproces. Het afketsen van een aantal achtereenvolgende plaatsingsmogelijkheden voorafgaand aan de plaatsing bij de dienst OCSW valt evenmin als het mislukken van die plaatsing aan het college toe te schrijven. Het geen doorgang vinden van het onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellante is, zoals in feite al naar voren kwam onder 3.1.2, evenmin in overwegende mate terug te voeren op het handelen van het college, in tegendeel.

3.1.4.

Appellante heeft nog aangevoerd dat de regeling had moeten worden gebaseerd op oude wachtgeldvoorschriften. Daarin kan zij niet worden gevolgd. Dat het college in zijn brief van 12 september 2000 heeft bevestigd dat in geval van ontslag per 1 januari 2002, de op dat moment van kracht zijnde wachtgeldregeling zou worden toegepast, maakt niet dat de bewuste voorschriften jaren later, naar aanleiding van het per 1 september 2009 tot stand gebrachte ontslag, alsnog hadden moeten worden toegepast.

3.1.5.

Het overwogene onder 3.1.1 tot en met 3.1.4 betekent dat het ontslagbesluit in rechte standhoudt. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt dus niet. Aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

3.1.6.

Appellante heeft de Raad verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stelt als gevolg van haar ontslag te hebben geleden. De onder 3.1.5 weergegeven uitkomst biedt voor een dergelijke veroordeling geen ruimte. De Raad zal het daartoe strekkende verzoek van appellante dan ook afwijzen

Aangevallen uitspraak 2

3.2.

Aangevallen uitspraak 2 betreft de omzetting naar de nieuwe salarisstructuur vanwege het bereiken van de hoogste trede in de uitlooprang. Appellante heeft aangevoerd dat, in plaats van uitlooprang XII, uitlooprang XIII op haar had behoren te worden toegepast zodat er, anders dan is vermeld in besluit 3, op 1 januari 2006 nog geen sprake was van vervulling van de voorwaarden voor de omzetting.

3.2.1.

Appellante heeft zich ter staving van haar standpunt beroepen op een aantal besluiten uit juli 2004 waarbij, met terugwerkende kracht per 1 januari 2001, waardering van diverse leidinggevende functies binnen de gemeente heeft plaatsgevonden. Dit betreft echter niet de voorheen door appellante uitgeoefende functie van hoofd NWU. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat die functie ten tijde van de bedoelde besluiten niet meer bestond. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt eerder een bevestiging daarvan dan dat het hierover twijfels oproept, nu ook zij met zo veel woorden melding heeft gemaakt van herschikking, herbenoeming en het deels ook wegvallen van tot haar voormalige functie behorende taken. Het waarderingstraject uit 2004 heeft voor appellante dus geen hogere uitlooprang met zich gebracht dan die waarin zij bij besluit van 28 november 2005 is bevorderd.

3.2.2.

Ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet. De Raad zal ook aangevallen uitspraak 2 bevestigen.

Aangevallen uitspraak 3

3.3.

Aangevallen uitspraak 3 betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het in maart 2010 ingediende bezwaar tegen het besluit van 24 maart 1998, waarbij appellante, in haar voormalige functie van chef NWU, met terugwerkende kracht per 1 juli 1994 is ingedeeld in rangniveau XI-A. Appellante stelt dit besluit destijds niet te hebben ontvangen.

3.3.1.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Genoemde bepaling leidt er niet toe dat aan diegene die pas na het verstrijken van de bezwaartermijn van een besluit kennis krijgt, alsnog een termijn van zes weken wordt gegund om tegen dat besluit bezwaar te maken. Appellante heeft zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase met stelligheid laten weten dat zij het besluit van 24 maart 1998 in de week van 22 februari 2010 heeft ontvangen. Haar stelling in hoger beroep dat die mededelingen niet juist zijn geweest en dat de ontvangst dateert van 9 maart 2010 acht de Raad niet geloofwaardig. Het bezwaar dateert van 21 maart 2010, dus van bijna een maand na de gestelde ontvangst van het besluit. Appellante heeft daarmee gehandeld alsof haar alsnog de volle bezwaartermijn van zes weken ter beschikking stond. Zij heeft het bezwaar dus niet zo spoedig als mogelijk was ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan desondanks redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest, is niet gebleken. Ook al zou appellante het besluit van 24 maart 1998 destijds dus inderdaad niet hebben ontvangen, dan nog geldt dat het college haar daartegen gerichte bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is terecht tot eenzelfde oordeel gekomen.

3.3.2.

Ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 slaagt dus niet. De Raad zal aangevallen uitspraak 3 eveneens bevestigen.

Aangevallen uitspraak 4

3.4.

Aangevallen uitspraak 4 betreft twee bijlagen bij een pleitnota die namens het college is overgelegd in de beroepsprocedure tegen bestreden besluit 3. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat deze bijlagen geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het college het daartegen gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook aangevallen uitspraak 4 moet dus worden bevestigd. Appellantes kennelijke doel om besluitvorming tot salarisverhoging over voorbije jaren te verkrijgen, kan met haar bezwaar en beroep tegen de genoemde bijlagen niet worden bereikt.

Aangevallen uitspraak 5

3.5.

Aangevallen uitspraak 5 betreft de plaatsing van appellante bij de dienst OCSW per

1 september 2008. Appellantes bezwaar tegen deze plaatsing is bij bestreden besluit 5 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het daaraan, gelet op het na de ziekmelding van appellante feitelijk geen doorgang meer vinden van de plaatsing, komen te ontvallen van een procesbelang. De rechtbank heeft dit terecht geacht.

3.5.1.

De door appellante tegen aangevallen uitspraak 5 aangedragen gronden houden geen feitelijke bestrijding in van dit oordeel van de rechtbank, zodat er geen reden is dit voor onjuist te houden. Appellante meent wel dat de rechtbank had moeten overgaan tot een hogere vergoeding van bezwaarkosten dan de € 218,50 (0,5 punt) die haar door het college, hangende de beroepsprocedure, is toegezegd. Daarin kan zij niet worden gevolgd. Vastgesteld moet worden dat het plaatsingsbesluit niet is herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. Niet voldaan is dus aan de voorwaarden voor vergoeding van bezwaarkosten zoals artikel 7:15, tweede lid, van de Awb die stelt. Dat betekent dat appellante met de toekenning van genoemd bedrag niet tekort is gedaan. De Raad zal ook aangevallen uitspraak 5 bevestigen.

Aangevallen uitspraak 6

3.6.

Aangevallen uitspraak 6 betreft de teruggedraaide korting op de bezoldiging. Ook hier zijn de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk verklaard vanwege het komen te ontbreken van procesbelang, en heeft de rechtbank die niet-ontvankelijkverklaring onderschreven.

3.6.1.

De door appellante tegen aangevallen uitspraak 6 aangedragen gronden strekken opnieuw niet tot wezenlijke bestrijding van dit oordeel van de rechtbank. Aangevallen uitspraak 6 moet dus in zoverre worden bevestigd.

3.6.2.

Ook bij bestreden besluit 6 is aan appellante € 218,50 (0,5 punt) aan vergoeding van bezwaarkosten toegekend. Appellante meent dat ook deze toekenning niet toereikend is en door de rechtbank niet in stand had mogen worden gelaten. In dit geval kan zij daar wel in worden gevolgd. Het terugdraaien van de korting hield verband met het gegeven dat appellante op het moment waarop na haar ziekmelding zes maanden waren verstreken, alweer hersteld was. Besluiten 4 en 5 zijn dus herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dat betekent dat appellante, gelet op haar daartoe strekkende verzoek, in zoverre aanspraak op vergoeding van bezwaarkosten kon ontlenen aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voor de door het college toegepaste matiging tot in totaal 0,5 punt was daarbij geen aanleiding. Appellante kwam in aanmerking voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand ter hoogte van één punt voor elk bezwaarschrift en één punt voor de behandeling op de hoorzitting. De Raad zal aangevallen uitspraak 6 op dit punt vernietigen en aan appellante de bedoelde drie punten, zijnde een bedrag van in totaal € 1.416,- aan vergoeding van kosten voor de behandeling van de bezwaren tegen besluiten 4 en 5 toekennen. De reeds uitbetaalde € 218,50 mag uiteraard door het college op dit bedrag in mindering worden gebracht.

4.

De Raad ziet tot slot aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 55,48 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bevestigt de aangevallen uitspraken 2 tot en met 5;

- vernietigt aangevallen uitspraak 6 voor zover de bij bestreden besluit 6 toegekende

vergoeding van bezwaarkosten daarbij in stand is gelaten;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 6 gegrond en vernietigt bestreden besluit 6 in

zoverre;

- bevestigt aangevallen uitspraak 6 voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.471,48;

- bepaalt dat het college appellante het in beroep tegen bestreden besluit 6 en in hoger beroep

tegen aangevallen uitspraak 6 betaalde griffierecht van in totaal € 388,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en E.J.M. Heijs en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD