Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12-5136 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich niet aan de afspraken gehouden uit het re-integratieplan en heeft ten onrechte geen aanleiding gezien de re-integratiefase na 1 april 2013 te verlengen. Het beroep tegen het effectueringsbesluit slaagt. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de re-integratie dient te worden verlengd met de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase. Dit betreft een maximale verlenging van 9 maanden tot 1 januari 2014, op de grond dat appellant pas twee maanden voor het einde van de re-integratietermijn heeft voldaan aan de voorwaarde uit het re-integratieplan en gedurende die twee maanden geen re-integratieinspanningen heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/82
Module Ambtenarenrecht 2016/1667

Uitspraak

12/5136 AW, 13/1644 AW, 13/3057 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

9 augustus 2012, 12/2703 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Delft (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 12 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B. Borst een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 13 februari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Wesseling en J.A. de Klerck. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Borst. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.



Appellant heeft, op verzoek van de Raad, enkele stukken ingezonden, waaronder een besluit van 17 december 2012 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), waarin aan appellant een loonsanctie is opgelegd, het advies van de herplaatsingscommissie van 27 maart 2013 en het besluit van appellant van 28 maart 2013 (effectueringsbesluit). Betrokkene heeft vervolgens enkele stukken ingezonden, waaronder het bezwaarschrift tegen het effectueringsbesluit.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 30 mei 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Wesseling en J.A. de Klerck. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Borst.

Appellant heeft, op verzoek van de Raad, enkele vragen beantwoord en het arbeidskundig rapport ingezonden van 11 december 2012 dat ten grondslag ligt aan de loonsanctie van

17 december 2012.

Partijen hebben toestemming verleend om het beroep verder zonder zitting af te doen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was vanaf 1992 werkzaam bij de gemeente Delft, sinds 1 mei 2009 als teamleider bij de financiële winkel van de gemeente Delft van de sector [naam sector].

1.2. Vanwege omvangrijke bezuinigingen heeft appellant het Plan van aanpak ‘Koers van Delft’ vastgesteld. Per 1 oktober 2011 is een reorganisatie doorgevoerd van de gemeentelijke organisatie. In een op 9 mei 2011 gevoerd (her)plaatsingsgesprek is aan betrokkene medegedeeld dat haar functie van teamleider zal komen te vervallen en dat het voornemen bestaat aan haar de status van herplaatsingskandidaat toe te kennen. Betrokkene heeft in dit gesprek te kennen gegeven wegens haar medische situatie geen leidinggevende functie meer te willen of te kunnen uitoefenen. In een rapport van 23 mei 2011 heeft arbeidsdeskundige B. van Eck (Van Eck) geconcludeerd dat betrokkene behoefte heeft aan werk met een duidelijke structuur, waarbij onder meer gedacht kan worden aan een functie als medewerker verhaal en verder dat werken onder het niveau niet is aan te raden. Bij deskundigenoordeel van

6 september 2011 heeft het UWV vastgesteld dat betrokkene op 1 juli 2011 arbeidsongeschikt was voor haar eigen functie.

1.3. Na het voornemen daartoe, waarop betrokkene heeft gereageerd, heeft appellant bij besluit van 22 september 2011 (ontslagbesluit) betrokkene met toepassing van artikel 8:3, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitvoeringsregeling van de gemeente Delft (CAR/UR), zoals dat artikel met ingang van 1 juli 2008 luidt, met ingang van 1 april 2013 ontslag verleend wegens opheffing van haar betrekking. Hierbij is bepaald dat de re-integratiefase op 1 oktober 2011 zal aanvangen. Appellant heeft het besluit van

22 september 2011 na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 februari 2012 (bestreden besluit). Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat er geen passende functies voor betrokkene beschikbaar zijn. Voor een drietal door betrokkene aangedragen functies, gewaardeerd op schaal 7, zag appellant een te groot verschil in salarisniveau ten opzichte van de vervallen functie, die was gewaardeerd op schaal 10A. Met inachtneming van artikel 15a:1:3:6, derde lid, van de Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie (NUR) is de re-integratiefase bepaald op 18 maanden, ingaande op 1 oktober 2011, en is de ontslagdatum bepaald op 1 april 2013.

1.4. Appellant heeft op 9 november 2011 het voor betrokkene geldende re-integratieplan vastgesteld. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven om, met inachtneming van haar uitspraak, opnieuw op de bezwaren te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene ten tijde van het ontslag arbeidsongeschikt was. Appellant heeft nagelaten om, voordat het traject van artikel 8:3 van de CAR/UR inging, door middel van een geschiktheidsonderzoek vast te stellen wat voor betrokkene passende functies zouden zijn. Hierdoor is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid.

2.1.

In het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit van 13 februari 2013 heeft appellant het ontslagbesluit gehandhaafd omdat er geen passende vacatures beschikbaar waren. Appellant heeft zich gebaseerd op een onderzoek van Van Eck van

21 december 2012, neergelegd in een rapport van 28 januari 2013.

3.

De herplaatsingscommissie als bedoeld in artikel 15a:1:3:6, derde lid, van de NUR, heeft op 27 maart 2013 geconcludeerd dat het college gedurende de re-integratieperiode voldoende inspanningen heeft verricht. Het college heeft vervolgens het ontslag geëffectueerd bij het effectueringsbesluit.

4.

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft het UWV aan betrokkene met ingang van 1 april 2013 een WIA-uitkering toegekend.

5.1.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat door de wijziging van de CAR/UR per 1 juli 2008 voor de toetsing van de rechtmatigheid van het ontslagbesluit slechts van belang is dat de functie van betrokkene was opgeheven en er op het moment van ontslagverlening geen passende vacatures waren. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat voorafgaande aan het reorganisatieontslag een geschiktheidsonderzoek had moeten plaatsvinden.

5.2.

Betrokkene heeft zich gemotiveerd tegen het nadere besluit en het effectueringsbesluit gekeerd. De Raad zal deze besluiten met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.

6.

De Raad oordeelt als volgt.

De aangevallen uitspraak

6.1.1. Zoals reeds eerder is overwogen (CRvB 10 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5510) is het sinds de wijziging van de CAR/UR per 1 juli 2008 voor de bevoegdheid van appellant om over te gaan tot ontslag wegens opheffing van de betrekking niet meer noodzakelijk dat appellant ten tijde van het ontslag voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Hieruit volgt dat voor de toetsing van de rechtmatigheid van het ontslagbesluit slechts van belang is dat de functie van betrokkene was opgeheven en er op het moment van ontslagverlening geen evident passende functies waren.

6.1.2. De Raad volgt dan ook niet de rechtbank in haar oordeel dat appellant ten onrechte heeft nagelaten door middel van een geschiktheidsonderzoek vast te stellen wat voor betrokkene passende functies zouden zijn. Uit de gedingstukken blijkt niet dat er evident passende functies waren in het kader van de re-integratie. De functie van medewerker verhaal kan niet als zodanig worden aangemerkt. Deze functie was gewaardeerd in schaal 7, terwijl betrokkene een functie had in schaal 10A. Van Eck noemt in zijn rapport van 23 mei 2011 wel de functie ‘medewerker verhaal’ als functie waaraan kan worden gedacht in het kader van het re-integratietraject, maar merkt tegelijkertijd op dat werken onder het niveau niet is aan te raden, daar dit de re-integratie negatief zal beïnvloeden.

6.1.3. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

Het nadere besluit

6.2.

Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak komt de grondslag aan het nadere besluit te ontvallen. Dit besluit komt daarom eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Het effectueringsbesluit

6.3.1.

Ingevolge artikel 15a:1:3:6, derde lid van de NUR is de werkgever verplicht zich ten minste gedurende 18 maanden, vanaf het aanwijzen van de ambtenaar als herplaatsingskandidaat, in te spannen om een structurele oplossing te vinden en de ambtenaar intern of extern te herplaatsen. Voor afloop van de re-integratiefase toetst de herplaatsingscommissie of er voldoende inspanningen zijn verricht om te komen tot herplaatsing en de mogelijkheid tot het vinden van een structurele oplossing en of er aanleiding bestaat tot toepassing van het bepaalde in artikel 10d:7, eerste lid, van de CAR/UR.

6.3.2.

In artikel 10d:7, eerste lid, van de CAR/UR is bepaald dat de re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan. In het tweede lid is bepaald dat de verlenging minimaal een maand duurt en maximaal de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase.

6.3.3.

Beoordeeld moet worden of appellant terecht geen aanleiding heeft gezien de voor betrokkene geldende re-integratiefase na 1 april 2013 te verlengen. Het re-integratietraject is gestart op 1 oktober 2011. In het re-integratieplan van 9 november 2011 is vastgelegd dat een medische check op de belastbaarheid van betrokkene een eerste voorwaarde is voor

re-integratie en dat, zodra bekend is wat de mogelijkheden zijn, sprake kan zijn van het verrichten van tijdelijk werk en/of matching op vacatures.

6.3.4.

Appellant heeft pas op 21 december 2012 een arbeidskundig onderzoek laten verrichten, gebaseerd op de op 17 oktober 2012 door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Met het rapport van 28 januari 2013 is pas aan de onder 6.3.3 genoemde voorwaarde voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 10d:7, eerste en tweede lid van de CAR/UR, heeft appellant zich dan ook niet aan de afspraken gehouden uit het re-integratieplan en heeft hij ten onrechte geen aanleiding gezien de re-integratiefase na 1 april 2013 te verlengen.

6.3.5.

Dit betekent dat het beroep tegen het effectueringsbesluit slaagt en dit besluit moet worden vernietigd. Er is aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de re-integratie dient te worden verlengd met de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase. Dit betreft een maximale verlenging van 9 maanden tot 1 januari 2014, op de grond dat appellant pas twee maanden voor het einde van de re-integratietermijn heeft voldaan aan de voorwaarde uit het re-integratieplan en gedurende die twee maanden geen re-integratieinspanningen heeft verricht.

7.

Er bestaat aanleiding appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze vergoeding wordt vastgesteld op € 1.416,- aan kosten voor rechtsbijstand en € 53,36 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2012 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 13 februari 2013;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 maart 2013 gegrond en bepaalt dat de

re-integratiefase wordt verlengd tot 1 januari 2014;

- veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 1.469,36.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

ew