Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12-2184 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Betrokkene heeft geen hoger beroep ingesteld ten aanzien van beoordelingsbesluit. De Raad volgt de gemachtigde van betrokkene niet in zijn stelling dat tussen het beoordelingsbesluit en het ontslagbesluit een zodanige nauwe verwevenheid bestaat, dat het geding in hoger beroep zich ook over het beoordelingsbesluit zou moeten uitstrekken. De beoordelingen over 2008, 2009 en 2010 vormen voldoende grondslag voor de opvatting van appellant dat betrokkene in die periode onvoldoende functioneerde. Betrokkene is reeds vanaf 2008 herhaaldelijk met zijn tekortkomingen geconfronteerd en hem is daarbij in voldoende mate de gelegenheid geboden zich te verbeteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/78
Module Ambtenarenrecht 2016/1662

Uitspraak

12/2184 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 maart 2012, 11/4645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Breda (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.J.M. Gielen-Trines, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Nanne en A.H. Volbers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. Ambags, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was sinds 2002 bij de gemeente [naam gemeente] werkzaam als senior bouwkundig inspecteur.

1.2. In een jaargesprek dat met betrokkene is gevoerd over de beoordelingsperiode 2008 is door zijn leidinggevende K een totaalbeoordeling “matig” gegeven. De beoordeling is op 19 december 2009 vastgesteld. Betrokkene heeft er geen bezwaar tegen gemaakt.

1.3. In een jaargesprek over de beoordelingsperiode 2009 is een totaalbeoordeling “slecht” gegeven. Door K is aangegeven dat per direct een grote verbetering op alle punten plaats dient te vinden. Een mediationtraject, van maart tot juli 2009, in verband met een verschil van inzicht over de werkdruk en de verantwoordelijkheden van betrokkene, heeft volgens K geen verbetering gebracht. Ook tegen de beoordeling over 2009 heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

1.4. Op 27 januari 2010 heeft een ontwikkelassessment plaatsgevonden door B&A Career Management (B&A). Het daaruit resulterende ontwikkelingsadvies vermeldt dat betrokkene zich tijdens gesprekken meer moet inleven in de ander, waardoor hij effectiever zal kunnen samenwerken. Zijn overtuigingskracht schiet tekort, hij brengt te weinig structuur aan en houdt zich onvoldoende aan tijdsplanningen. Ter verbetering zou wellicht een training persoonlijke effectiviteit een goede investering zijn. De werkstress die betrokkene ervaart zou aan de orde moeten komen in een vervolggesprek tussen betrokkene, zijn leidinggevende en een psycholoog van B&A.

1.5. In mei 2010 is een voortgangsgesprek gehouden, waarin is vastgesteld dat betrokkene aan een aantal afspraken nog niet goed gehoor heeft gegeven. Aangegeven is dat er nog veel moet gebeuren wil betrokkene volledig meedraaien op de afdeling. Hij moet hier zelf aan gaan werken en de nodige initiatieven nemen.

1.6. Op 27 augustus 2010 heeft de Arbo Unie rapport uitgebracht over een door haar verricht werkplekonderzoek naar aanleiding van de doorlopende discussie over de door betrokkene ervaren werkdruk. In het rapport wordt een werkplan voorgesteld, gericht op verandering van houding en verbetering van de kwaliteit van het werk van betrokkene. Ter ondersteuning kan betrokkene training en coaching op het vlak van assertiviteit en timemanagement worden aangeboden, aldus het rapport.

1.7. Bij brief van 16 september 2010 is betrokkene (nogmaals) schriftelijk gewezen op punten van disfunctioneren. Tijdens een gesprek op 21 september 2010 tussen betrokkene, zijn leidinggevende, een psycholoog en een Unit Manager van B&A en een P&O-functionaris zijn de resultaten van het assessment en van het werkplekonderzoek en opties voor het vervolg besproken. Op 29 september 2010 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Betrokkene heeft tijdens de gesprekken aangegeven nog steeds mogelijkheden te zien om nog in 2010 aan de gestelde eisen te gaan voldoen. Zijn leidinggevende daarentegen heeft aangegeven een onvoldoende jaarbeoordeling over 2010 te verwachten. Tezamen met de eerder onvoldoende beoordelingen zou dat resulteren in ontslag wegens functieongeschiktheid.

1.8. Bij besluit van 2 februari 2011 (beoordelingsbesluit) is de beoordeling over 2010 vastgesteld, met als eindoordeel: slecht.

1.9. Bij besluit van 31 maart 2011 (ontslagbesluit) is aan betrokkene ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij besluit van 27 juli 2011 is de ingangsdatum van het ontslag gewijzigd in 7 augustus 2011.

2.

De bezwaren van betrokkene tegen het beoordelingsbesluit en het ontslagbesluit zijn bij besluit van 28 juli 2011 ongegrond verklaard.

3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het beoordelingsbesluit over 2010 in rechte stand kan houden. Wat betreft het ontslagbesluit heeft de rechtbank in de beoordelingen over 2008, 2009 en 2010 voldoende grondslag gezien voor de opvatting van appellant dat betrokkene in die periode onvoldoende functioneerde. Appellant heeft betrokkene echter onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren en zijn gedrag te verbeteren; dit terwijl in de rapporten naar aanleiding van het assessment en het werkplekonderzoek wel verbetermogelijkheden waren aangegeven. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd, het ontslagbesluit herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, en bepalingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat al vanaf 2008 inspanningen zijn verricht om tot verbetering van het functioneren en het gedrag van betrokkene te komen. Het assessment en het werkplekonderzoek zouden niet als de start van het verbetertraject gezien moeten worden, maar als het sluitstuk daarvan. Van de aanbevelingen uit de desbetreffende rapporten zou geen verbetering in het functioneren van betrokkene meer te verwachten zijn.

4.2.

Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Nu uitsluitend door appellant hoger beroep is ingesteld en betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel dat de rechtbank over het beoordelingsbesluit over 2010 heeft gegeven, is het geding in hoger beroep beperkt tot de vraag of het ontslagbesluit in rechte stand kan houden. De Raad volgt de gemachtigde van betrokkene niet in zijn stelling dat tussen het beoordelingsbesluit en het ontslagbesluit een zodanige nauwe verwevenheid bestaat, dat het geding in hoger beroep zich ook over het beoordelingsbesluit zou moeten uitstrekken.

5.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de beoordelingen over 2008, 2009 en 2010 voldoende grondslag vormen voor het oordeel dat betrokkene in die periode onvoldoende functioneerde.

5.3.

Wat betreft de aard en de ernst van de tekortkomingen in functioneren en gedrag van betrokkene en, in samenhang daarmee, de (on)geschiktheid voor zijn functie van betrokkene, constateert de Raad een aanzienlijk verschil van opvatting tussen partijen. Betrokkene benadrukt dat het om tekortkomingen van ondergeschikt belang gaat en dat hij nooit grote blunders heeft begaan; hij wijst erop dat klanten tevreden over hem zijn. Appellant daarentegen wijst op het gebrek aan efficiëntie en effectiviteit in het functioneren van betrokkene, waardoor hij er niet in slaagt voldoende aandacht aan al zijn taakonderdelen en klanten te geven; ook houdt betrokkene zich niet aan allerlei afspraken van organisatorische aard.

Naar het oordeel van de Raad is de kern van het verschil in benadering, zoals in het rapport van het werkplekonderzoek is verwoord, terug te voeren op de nieuwe eisen die aan betrokkene worden gesteld als gevolg van de door de leiding gewenste ontwikkeling naar een meer marktgerichte en procesgestuurde afdeling. Hierdoor worden een andere rolopvatting en andere vaardigheden van betrokkene geëist dan ten tijde van zijn indiensttreding. Betrokkene is er, zoals onder meer blijkt uit drie achtereenvolgende onvoldoende tot slechte beoordelingen, niet in geslaagd aan de nieuwe eisen te voldoen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC2443) mag een werkgever van zijn werknemer verlangen dat deze - na een zekere overgangstermijn - aan zulke nieuwe eisen gaat voldoen. Ernstig in gebreke blijven, zoals hier aan de orde, kan voldoende grond opleveren voor ongeschiktheidsontslag.

5.4.

Met appellant, en anders dan is geoordeeld door de rechtbank, wordt geoordeeld dat betrokkene reeds vanaf 2008 herhaaldelijk met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en dat hem daarbij in voldoende mate de gelegenheid is geboden zich te verbeteren. De stelling van betrokkene dat destijds van een reëel verbetertraject geen sprake kon zijn, gezien de burn-out-situatie waarin hij zich bevond, wordt niet bevestigd door de gedingstukken. Uit die gedingstukken blijkt wel dat betrokkene met de bedrijfsarts contact heeft gehad over werkdruk, en dat hij in 2008 en 2009 met privéproblemen te kampen heeft gehad, maar de Raad ziet geen aanwijzingen die duiden op een burn-out-situatie. Daarbij wordt opgemerkt dat om betrokkene tegemoet te komen en kans op herstel en verbetering te geven, is besloten een aantal gebouwen aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken. Desondanks is de door de werkgever gewenste verbetering onvoldoende opgetreden.

5.5.

Wat betreft de vraag of appellant voldoende acht heeft geslagen op de aanbevelingen uit het assessment en het werkplekonderzoek wordt als volgt geoordeeld. De Raad kan zich voorstellen dat betrokkene zich overvallen heeft gevoeld, toen hem tijdens de gesprekken op 21 september 2010 en 29 september 2010 bleek dat de psycholoog van B&A niet verwachtte dat hij zich nog kon verbeteren op het punt van efficiëntie en effectiviteit, en dat zijn leidinggevende geen heil zag in het alsnog volgen van verbetersuggesties uit beide rapporten, onder meer over een training persoonlijke effectiviteit. Ter zitting van de Raad is namens appellant desgevraagd uiteengezet, dat betrokkene reeds eerder een cursus persoonlijke effectiviteit had gevolgd en dat ook de andere aanbevelingen weinig nieuws brachten, en daarom onvoldoende basis vormden om nog langer met betrokkene door te gaan. De Raad ziet geen grond om deze opvatting van de werkgever voor onjuist te houden. De Raad merkt daarbij op, dat aanbevelingen als hierw aan de orde het karakter hebben van een advies dat de werkgever, als daar goede redenen voor zijn, naast zich neer kan leggen.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen de handhaving van het ontslagbesluit ongegrond moet worden verklaard.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker

HD