Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12-4 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een salarisschaal behorende bij de hogere groepsfunctie E. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de staatssecretaris dat de aan appellant opgedragen werkzaamheden in de referteperiode niet het gehele bereik van fase 1 tot en met 3 van de groepsfunctie E betroffen. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4 AW

Datum uitspraak: 12 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 november 2011, 11/40 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A. Helmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de staatssecretaris heeft mr. B.J.M. Oenema, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Helmer. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Oenema en P.M. Wennink.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam als groepsfunctionaris C bij de Belastingdienst FIOD-ECD.

1.2. Appellant heeft op 20 oktober 2009 een schriftelijk verzoek ingediend om toekenning van een salarisschaal behorende bij de hogere groepsfunctie E. Hij heeft daartoe een Functie Informatieformulier (FIF) opgesteld, met een opsomming van de werkzaamheden die door hem zijn verricht vanaf 2006.

1.3. De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant afgewezen bij besluit van 7 december 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 december 2010 (bestreden besluit). Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat uit het FIF en de beoordelingen over 2007 en 2008 blijkt dat de door appellant uitgevoerde onderzoeken hoofdzakelijk betrekking hadden op horecagroothandels, waarbij vaak al een sterk vermoeden van fraude bestond. De aanpak van deze fraude vond plaats volgens een gestandaardiseerde werkwijze. Omdat deze werkzaamheden behoren tot fase 1 van groepsfunctie E, is niet voldaan aan de eis dat deze werkzaamheden het gehele bereik van de hogere groepsfunctie beslaan, dat wil zeggen: fasen 1 tot en met 3. Voorts heeft appellant niet voldaan aan het vereiste dat het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot fase 2 en 3 van groepsfunctie E ten minste 50% van de werktijd omvat.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd hij in de periode in geding alleen en zelfstandig opsporingsonderzoeken verrichtte en dat die onderzoeken niet anders zijn dan de strafrechtelijke onderzoeken die worden verricht door de functionarissen in groepsfuncties E en F. Het gaat, volgens appellant, niet om kortlopende strafrechtelijke onderzoeken met een repeterend karakter. Bovendien heeft appellant, door het ontbreken van een zogenoemde koppelgenoot, jarenlang zelfstandig moeten werken. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat hij vanaf 1 april 2007 nagenoeg al zijn tijd heeft besteed aan het zelfstandig verrichten van opsporingsonderzoeken die vallen in fase 2 en 3 van de groepsfunctie E. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op verklaringen van collega’s over zijn functioneren. Voorts beroept appellant zich op het gelijkheidsbeginsel. Collega B, die volgens appellant in dezelfde omstandigheden verkeerde, is wel ingeschaald in groepsfunctie E.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt de salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met inachtneming van de zwaarte van de functie en van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

4.2.

Op basis van dit laatste artikel zijn voor de in geding zijnde groepsfuncties C en E regels vastgesteld in het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB). In onderdeel 1.1.2 is bepaald dat als aan een groepsfunctionaris structureel werkzaamheden van een hogere groepsfunctie zijn opgedragen, aanspraak bestaat op bezoldiging volgens de aan de hogere groepsfunctie behorende salarisschaal als:

- die werkzaamheden het gehele bereik, in casu de fasen 1 tot en met 3 van de hogere groepsfunctie betreffen;

- met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot fase 2 en 3 van de hogere groepsfunctie ten minste 50% van de werktijd van de groepsfunctionaris is gemoeid, en

- de wijze van functioneren zich niet tegen het toekennen van de hogere salarisschaal verzet.

4.3.

Op grond van onderdeel 1.5.4 van het RPVB geldt voor de typeringen van de groepsfuncties, met uitzondering van groepsfunctie D, een opbouw in drie fasen (fase 1 tot en met 3), waarbij de werkzaamheden naarmate deze zwaarder worden in een hogere fase worden ingedeeld. Bij de zwaarte wordt onder meer gelet op het aantal toets- en interpretatiemomenten, het meer of minder frequent voorkomen van onderling samenhangende beslissingsfactoren, de aard van de weerstand, de gecompliceerdheid van de te behandelen aangelegenheden en de mate waarin ervaring en gerijpt inzicht nodig is.

4.4.

In de functieomschrijving van groepsfunctie E is opgenomen dat een medewerker alle werkzaamheden verricht in fraudeonderzoeken (opsporingstechnische processen, methodieken of middelen) op middelbaar niveau en daarbij wordt ingezet op fraudeonderzoeken, die grotendeels projectmatig worden uitgevoerd.

4.5.

De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant beoordeeld aan de hand van de door appellant verrichte werkzaamheden, opgenomen in het FIF, over de periode van 2006 tot en met 2009 (referteperiode).

4.6.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd wordt, met de rechtbank, geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de staatssecretaris dat de aan appellant opgedragen werkzaamheden in de referteperiode niet het gehele bereik van fase 1 tot en met 3 van de groepsfunctie E betroffen. De aard en complexiteit van de werkzaamheden in het FIF geven daarvoor geen aanleiding. Voorts is in de beoordeling over de periode van 1 september 2006 tot 1 augustus 2007, die in rechte vaststaat, opgenomen dat appellant in die periode vrijwel uitsluitend bezig was met onderzoeken gericht op horecagroothandels. In deze beoordeling is vermeld dat de voor die onderzoeken opgemaakte processen-verbaal volgens een vast sjabloon worden gemaakt. Ook uit de overige in rechte vaststaande beoordelingen die betrekking hebben op de referteperiode blijkt dat een groot deel van het werk van appellant bestond uit onderzoeken naar fraude bij horecagroothandels, in het bijzonder shoarmazaken. Voorts komt uit de gedingstukken naar voren dat de opsporingsonderzoeken één of enkele delicten betroffen en dat bij aanvang van het onderzoek al een redelijk sterk vermoeden van fraude bestond. Dat appellant vanaf medio 2007 niet in koppelverband heeft gewerkt, doet aan het voorgaande niet af. Overigens is in de beoordeling over 1 september 2007 tot 1 augustus 2008 opgetekend dat appellant intensiever is gaan samenwerken met een tweetal collega’s, waarbij een aantal klussen in wisselende samenstelling wordt verricht.

4.7.

Gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen is er evenmin aanleiding om appellant te volgen in zijn betoog dat met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot fase 2 en 3 van groepsfunctie E ten minste 50% van zijn werktijd was gemoeid. Hierbij wordt tevens acht geslagen op het overzicht van het aantal gewerkte uren dat de staatssecretaris heeft opgesteld naar aanleiding van het verzoek van appellant en de toelichting die hierop, namens de staatssecretaris, ter zitting van de Raad is gegeven.

4.8.

De verklaringen van collega’s die appellant in hoger beroep heeft ingebracht kunnen hem niet baten. Deze verklaringen hebben hoofdzakelijk betrekking op de goede wijze waarop appellant zijn functie in de referteperiode heeft vervuld. Dat de kwaliteit van het werk van appellant in die periode goed was en dat hij zelfstandig werkte, hetgeen blijkt uit de onder 4.6 genoemde beoordelingen, is niet in geschil.

4.9.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Appellant heeft niet aangetoond dat de omstandigheden van collega B ten aanzien van opleidingsniveau en verrichte werkzaamheden, vergelijkbaar zijn met die van appellant.

4.10.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en
C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen.

HD