Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12-2528 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De Raad is, met de rechtbank en het college, van oordeel dat appellant zich niet heeft gehouden aan het hem opgelegde verbod om nevenwerkzaamheden te verrichten en dat deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat deze gedraging appellant niet kan worden toegerekend, was het college bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/79

Uitspraak

12/2528 AW

Datum uitspraak: 12 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 maart 2012, 11/127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het College van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C.M. Bénard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bénard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.H. Beijer en M.N.A.T. Verlinden.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 januari 1985 aangesteld als brandwacht bij de brandweer [naam gemeente]. In november 1993 heeft het college appellant op diens verzoek toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden in de vorm van het uitoefenen van een handelsonderneming onder de voorwaarde dat volledig zou worden voldaan aan de voorschriften die gelden voor een dergelijk bedrijf. Naar aanleiding van een - verplichte - melding van nevenwerkzaamheden door appellant met als omschrijving het drijven van een handelsonderneming in de in- en verkoop van vuurwerk is appellant in juli 2000 opnieuw toestemming verleend voor het verrichten van deze werkzaamheden in zijn vrije tijd.

1.2. De aanhouding van appellant in december 2003 wegens het in bezit hebben van niet geregistreerd vuurwerk was voor zijn leidinggevenden aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de gevolgen die deze omstandigheid moet hebben voor het functioneren van appellant binnen de gemeente[naam gemeente] en naar mogelijk door hem gepleegd plichtsverzuim. In augustus 2004 is appellant door de politierechter veroordeeld tot een werkstraf wegens overtreding van voorschriften krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen. Het college heeft bij besluit van 20 mei 2005 de toestemming voor de nevenwerkzaamheden ingetrokken. In dat besluit is onder meer vermeld dat er sinds de tijd dat appellant met zijn handel in vuurwerk startte veel is veranderd rond het onderwerp vuurwerk, dat in de directe woonomgeving waar appellant ook zijn vuurwerkhandel heeft bekend is dat hij brandweerman is, dat de combinatie vuurwerkhandelaar en brandweerman schade aan het ambt kan opleveren, en dat er voorts sprake kan zijn van onoorbare belangenverstrengeling in zijn optreden als vuurwerkhandelaar en zijn functioneren als brandweerman. Dit besluit is na bezwaar en beroep gehandhaafd.

1.3. In november 2006 heeft appellant in een gesprek over signalen dat hij zich nog steeds met de handel in vuurwerk zou bezighouden aan zijn leidinggevende meegedeeld dat hij zijn vuurwerkhandel eind 2005 had overgedragen aan zijn vriendin, met wie hij [in] 2006 in het huwelijk is getreden.

1.4. Met ingang van 1 april 2007 heeft het college appellant overgeplaatst naar de functie van logistiek medewerker/algemeen. Daarbij is benadrukt dat appellant ook in zijn nieuwe functie geen toestemming heeft voor het verrichten van nevenwerkzaamheden in het vuurwerkbedrijf dat hij op naam van zijn echtgenote heeft overschreven. In 2008 heeft appellant op een door hem ondertekend meldingsformulier nevenwerkzaamheden aangegeven geen andere werkzaamheden te verrichten naast zijn aanstelling bij de gemeente [naam gemeente].

1.5. Naar aanleiding van interne signalen dat appellant nog steeds werkzaamheden verrichtte in de vuurwerkwinkel van zijn echtgenote (het bedrijf), heeft het bureau International Security Partners B.V. (ISP) in opdracht van het college een onderzoek ingesteld om vast te stellen of appellant het hem opgelegde verbod om nevenwerkzaamheden in het bedrijf te verrichten heeft overtreden. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het woonadres van appellant twee bedrijven staan ingeschreven, te weten [naam bedrijf], dat voor rekening van zijn echtgenote wordt gedreven en is opgericht op

4 november 2005, en handelsonderneming E die voor rekening van appellant wordt gedreven en is opgericht op 4 november 1993. De woning en winkel behoren volledig in eigendom toe aan appellant. ISP heeft op 29, 30 en 31 december 2009 op verschillende tijdstippen observaties verricht in en rond het bedrijf, op de derde dag een beeld- en geluidsopname gemaakt met een verborgen camera en enkele overzichtsfoto’s gemaakt. Op 14 januari 2010 hebben twee medewerkers van ISP een gesprek gevoerd met appellant, waarin hij is geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen. Van dit gesprek is een verslag en een geluidsopname gemaakt, die zich evenals de beeldopname onder de gedingstukken bevindt. In aansluiting op dat gesprek is appellant door zijn leidinggevende geschorst. Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft ISP geconcludeerd dat appellant het verbod om nevenwerkzaamheden te verrichten in het bedrijf heeft overtreden.

1.6. Na een voornemen daartoe, waarover appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 1 april 2010 met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

1.7. Bij besluit van 17 december 2010 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is het college gemotiveerd afgeweken van het advies van de bezwarencommissie.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, dat was gericht tegen de handhaving van het strafontslag, ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden betwist.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de besluitvorming van het college ligt het standpunt ten grondslag dat appellant ondanks het verbod om nevenwerkzaamheden in het bedrijf te verrichten nog steeds betrokken is bij het bedrijf en daarin werkzaamheden verricht. Volgens het college blijkt uit het ingestelde onderzoek dat appellant de catering heeft verzorgd, heeft meegereden met zijn schoonvader bij het transport van vuurwerk en meerdere keren in de winkel is geweest tijdens de observatieperiode om iets neer te zetten of mee te nemen.

4.2.

Uit het onderzoek van ISP komt het volgende naar voren.

4.2.1.

Appellant heeft zijn handelsonderneming om hem moverende redenen niet uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Tijdens de observaties door ISP is appellant op 30 en 31 december 2009 tweemaal waargenomen in de gang direct achter de vuurwerkwinkel. Ook is hij tweemaal gezien achter de toonbank in de winkelruimte, waarbij hij de eerste keer een tas achter de toonbank pakte en meenam naar de gang en de tweede maal met een doos binnenkwam en die achter de toonbank zette.

4.2.2.

Tijdens het gesprek op 14 januari 2010 met twee medewerkers van ISP heeft appellant onder meer verklaard dat hij:

- de laatste week van het jaar altijd vrij neemt;

- koffie en thee zet en die aanreikt of voor de broodjes zorgt, de catering;

- eind december 2009 ten minste twee keer met zijn schoonvader is meegereden om een bestelling bij een vuurwerkleverancier in Uden op te halen;

- bij die gelegenheid weleens een doos heeft aangereikt;

- achter de toonbank van de winkel is geweest om koffie en broodjes te brengen;

- eenmaal achter de toonbank een tasje met zogenoemde dummies heeft gepakt en heeft weggebracht.

De schoonvader van appellant heeft schriftelijk verklaard dat appellant op 29 en 30 december 2009 met hem is meegereden om een bestelling op te halen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de geluidsopname van het gesprek op 14 januari 2010 geen volledige en dus geen juiste weergave is van de inhoud van dat gesprek, omdat delen van dat gesprek uit die geluidsopname zijn ‘geknipt’. Het zou daarbij gaan om gedeelten van het gesprek waarin de medewerkers van de ISP tegen appellant hebben geschreeuwd en hem hebben geïntimideerd en onder druk gezet. De geluidsopname en het schriftelijk verslag van het gesprek bieden echter geen enkele steun voor de stelling van appellant dat de geluidsopname hiaten bevat en evenmin voor zijn stelling dat hij zijn verklaringen tijdens dat gesprek niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Integendeel, appellant is aan het begin van het gesprek meegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, dat hij daaraan op vrijwillige basis deelneemt en dat het hem vrijstond het gesprek af te breken. Dat appellant het gespreksverslag niet heeft ondertekend is in dit geval niet van belang, omdat van het gesprek een volledige geluidsopname beschikbaar is.

4.4.

Het voorgaande betekent dat mag worden uitgegaan van de juistheid van deze geluidsopname en van de verklaringen die appellant tijdens het gesprek heeft afgelegd.

4.5.

Op grond van de hiervoor vermelde onderzoeksbevindingen van het ISP is komen vast te staan dat appellant de onder 4.3 genoemde activiteiten heeft verricht. Deze activiteiten, in het bijzonder het meerijden en meehelpen bij het ophalen van bestellingen van het bedrijf en het zich ophouden achter de toonbank, maar ook het verzorgen van dranken en broodjes voor zijn echtgenote en de aanwezige medewerkers, gaan verder dan wat onder geringe bemoeienis kan worden verstaan en moeten worden gekwalificeerd als hand- en spandiensten die deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Dat niet is gebleken dat appellant in het bedrijf directe in- of verkoophandelingen heeft verricht, doet aan dit oordeel geen afbreuk.

4.6.

Op basis van de vele gesprekken die appellant voorafgaande aan en na de intrekking van de toestemming voor het exploiteren van zijn vuurwerkhandel met zijn leidinggevenden heeft gevoerd, onder meer over het beëindigen van die handel en de signalen dat hij zich er nog mee bezighield, moet het voor hem zonder meer duidelijk zijn geweest dat de intrekking van genoemde toestemming betekende dat hij zich op geen enkele wijze meer mocht bezighouden met de bedrijfsvoering. Als er bij hem nog twijfel bestond over de vraag wat nog wel en wat niet meer was toegestaan, had het op de weg van appellant gelegen om hiernaar te informeren bij het college. Juist omdat het bedrijf door zijn echtgenote werd uitgeoefend en de bedrijfsvoering plaatsvond in een naast zijn woning gelegen en tot zijn eigendom behorende schuur, bracht het appellant opgelegde verbod om zich met vuurwerkhandel bezig te houden in zijn geval mee dat hij zich verre moest houden van het bedrijf en elke schijn van betrokkenheid daarbij moest vermijden.

4.7.

Gezien hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen is de Raad, met de rechtbank en het college, van oordeel dat appellant zich niet heeft gehouden aan het hem opgelegde verbod om nevenwerkzaamheden te verrichten en dat deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat deze gedraging appellant niet kan worden toegerekend, was het college bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen.

4.8.

De aan appellant opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat met appellant in november 2006 is gesproken over zijn mogelijke betrokkenheid bij het bedrijf, zodat hij als een gewaarschuwd man gold. Dat appellant vanaf 2007 niet meer actief was als brandwacht leidt niet tot een ander oordeel, omdat hij nog steeds werkzaam was voor de brandweer.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD