Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
13-2335 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. De Raad acht het alleszins begrijpelijk dat, gelet op de gezondheidstoestand van moeder en die van de oudste zoon die bij moeder woonde, het maken van zorgovereenkomsten met particulieren geen prioriteit had, maar deze omstandigheid kan er niet toe leiden dat voorbij wordt gegaan aan de wettelijke eis dat de rechtmatigheid van de besteding van het toegekende pgb objectief moet kunnen worden gecontroleerd. Dat is in dit geval niet mogelijk. Appellanten hadden ervoor kunnen kiezen om de administratieve verantwoording van het pgb uit te besteden aan een derde. Het is voorts betreurenswaardig dat het Zorgkantoor de betalingen heeft voortgezet nadat melding was gemaakt van het overlijden van moeder, maar ook deze omstandigheid maakt niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde belangenafweging heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2335 AWBZ

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

22 maart 2013, 11/2573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van[Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

CZ Zorgkantoor B.V., Zorgkantoor Zuidoost-Brabant (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.F. Portier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Namens appellanten is mr. Portier verschenen, vergezeld door P.J.A [S.] en J.H.P. [S.]. Het Zorgkantoor heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.2. Het Zorgkantoor heeft appellanten bij besluiten van 23 juli 2009 een afrekening doen toekomen van het aan wijlen [naam moeder] (moeder van appellanten) over 2006 en 2007 op voorschotbasis verstrekte persoonsgebonden budget (pgb). Van appellanten wordt over 2006 een bedrag van € 1.345,12 en over 2007 een bedrag van € 17.259,45 teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 20 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 23 juli 2009 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit hebben appellanten gesteld dat over 2006 en 2007 in totaal een bedrag van € 6.202,95 te veel is teruggevorderd. Een deel van de aan hun moeder verleende zorg is verricht door particulieren die daarvoor ook betaald zijn. Ter zake kunnen evenwel geen schriftelijke overeenkomsten of facturen worden overgelegd. Moeder was in ernstige mate hulpbehoevend en de zorg voor haar werd steeds intensiever in de periode vlak voor haar overlijden.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is, kort samengevat, van oordeel dat het Zorgkantoor bevoegd was een bedrag van in totaal € 18.604,57 van appellanten terug te vorderen als zijnde onverschuldigd betaald over 2006 en 2007. De rechtbank heeft voorts geen grond gezien voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Het was voor appellanten duidelijk dat er aan een pgb administratieve verplichtingen verbonden zijn. Dat de zorg voor hun moeder met name in de periode vlak voor haar overlijden intensief was, hoe begrijpelijk ook, doet hieraan niet af. Daarnaast heeft het Zorgkantoor erop gewezen dat in eerste instantie door appellanten in het geheel geen onderbouwing van de gemaakte kosten was gegeven en dat het Zorgkantoor buiten de daarvoor staande periode nog in totaal een bedrag van € 44.251,38 over 2006 en 2007 heeft goedgekeurd.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is geoordeeld dat het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Gelet op de intensieve zorgbehoefte van moeder, met name in de periode vlak voor haar overlijden, kon redelijkerwijs niet verwacht worden dat schriftelijke overeenkomsten werden gesloten met de particulieren die haar zorg verleenden. Benadrukt wordt dat de zorg feitelijk wel degelijk is verleend en is betaald vanuit het pgb. Daar komt bij dat het Zorgkantoor in 2008 met betalingen is doorgegaan ondanks het feit dat bij herhaling was meegedeeld dat moeder was overleden. Deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, hadden voor het Zorgkantoor reden moeten zijn de terugvordering te matigen.

4.1.

In hoger beroep is enkel in geschil of het Zorgkantoor bij afweging van de relevante belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot terugvordering van de in het bestreden besluit genoemde bedragen. De Raad acht het alleszins begrijpelijk dat, gelet op de gezondheidstoestand van moeder en die van de oudste zoon die bij moeder woonde, het maken van zorgovereenkomsten met particulieren geen prioriteit had, maar deze omstandigheid kan er niet toe leiden dat voorbij wordt gegaan aan de wettelijke eis dat de rechtmatigheid van de besteding van het toegekende pgb objectief moet kunnen worden gecontroleerd. Dat is in dit geval niet mogelijk. Appellanten hadden ervoor kunnen kiezen om de administratieve verantwoording van het pgb uit te besteden aan een derde. Het is voorts betreurenswaardig dat het Zorgkantoor de betalingen heeft voortgezet nadat melding was gemaakt van het overlijden van moeder, maar ook deze omstandigheid maakt niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde belangenafweging heeft kunnen komen.

4.2.

Wat onder 4.1 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellanten geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

QH