Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
10-6351 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan appellant kennelijk meent, kan uit zijn drie brieven niet worden afgeleid dat appellant daarmee tevens beoogde een aanvraag in te dienen voor re-integratiepremies en/of uitstroompremies voor werk dat hij in 2003, 2004 en 2006 heeft aanvaard. Om die reden kan niet worden gezegd dat het college de besluitvorming ten onrechte heeft beperkt tot het verstrekken van genoemde premies voor de werkaanvaarding in september 2007 en het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van het verkrijgen van werk in dat jaar en de voorafgaande jaren. Appellant heeft ook niet weersproken dat hij ten tijde van belang niet onder de in de beleidsregels over de toekenning van een uitstroompremie afgebakende doelgroep viel, zodat hij daarop geen aanspraak kan maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6351 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 november 2010, 10/2677 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Appellant is daar, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

De Raad heeft het onderzoek heropend en bepaald dat appellant alsnog in de gelegenheid wordt gesteld het beroepschrift te ondertekenen. Appellant heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is vervolgens ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 oktober 2013. Partijen, waarvan het college met bericht, zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 23 juli 2009, herhaald bij brieven van 2 oktober 2009 en 11 november 2009, heeft appellant het college verzocht om toekenning van re-integratiepremie, uitstroompremie, onkostenvergoedingen enz. vanwege accepteren van betaald fulltime werk in China in september 2007. Appellant meent daarvoor te meer in aanmerking te komen, omdat hem niet eerder dergelijke premies en vergoedingen zijn toegekend hoewel hij tevoren meermalen werk heeft gevonden in België, China en Frankrijk.

1.2.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college afwijzend beslist op deze aanvraag. Voor de gevraagde re-integratiepremie komt appellant niet in aanmerking, omdat deze premie in 2005 is afgeschaft. Onkosten die voortkomen uit aanvaarding en uitvoering van betaald werk, worden niet door het college vergoed. Omdat appellant in september 2007 geen re-integratietraject volgde, is volgens het college ook een trajectvergoeding niet aan de orde.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft daartoe overwogen dat het op grond van het beleid, zoals neergelegd in de Beleidsregels Reintegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Amsterdam, niet mogelijk is om forfaitaire vergoedingen en/of premies achteraf aan te vragen. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden om van deze regel af te wijken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag van een re-integratiepremie betrekking heeft op het accepteren van betaalde arbeid door appellant in het jaar 2007. Nog daargelaten de vraag of de re-integratiepremie met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd, is het verstrekken van deze premie vanaf 1 maart 2005 niet meer mogelijk. Omdat ook niet is gebleken van een voor 1 april 2005 gestart re-integratietraject heeft appellant geen recht op de door hem gevraagde re-integratiepremie.

2.2.

Over de aanvraag van een onkostenvergoeding in verband met het accepteren van werk in China in 2007, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze kosten niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Appellant had zijn werkgever kunnen verzoeken (een deel van) deze kosten te vergoeden.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het niet alleen gaat om uitstroom-,

re-integratiepremies en onkostenvergoedingen in 2007, maar ook in de jaren 2003, 2004 en 2006. Appellant kon zijn aanvraag niet eerder indienen vanwege zijn verblijf in het buitenland.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt eerst - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank haar oordeel over het bestreden besluit voor zover dat gaat over de onkostenvergoeding, niet heeft gebaseerd op de door het college daaraan ten grondslag gelegde grond. De rechtbank heeft de vraag beoordeeld of deze kosten behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan, terwijl het college aan dit onderdeel van het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn voor toekenning met terugwerkende kracht van deze onkostenvergoeding. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8664) verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van het geding uitbreidt. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, in het voorafgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen en het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.2.

Anders dan appellant kennelijk meent, kan uit zijn drie brieven, genoemd in 1.1, niet worden afgeleid dat appellant daarmee tevens beoogde een aanvraag in te dienen voor re-integratiepremies en/of uitstroompremies voor werk dat hij in 2003, 2004 en 2006 heeft aanvaard. Om die reden kan niet worden gezegd dat het college de besluitvorming ten onrechte heeft beperkt tot het verstrekken van genoemde premies voor de werkaanvaarding in september 2007 en het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van het verkrijgen van werk in dat jaar en de voorafgaande jaren.

4.3.

Appellant heeft ook niet weersproken dat hij ten tijde van belang niet onder de in de beleidsregels over de toekenning van een uitstroompremie afgebakende doelgroep viel, zodat hij daarop geen aanspraak kan maken. Ook dat standpunt is houdbaar.

4.4.

Wat betreft de gevraagde bijzondere bijstand voor de bestrijding van - in verband met werkaanvaarding in het buitenland opgekomen - onkosten geldt dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875) uit artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 44, eerste lid, van de Wet werk en bijstand voortvloeit dat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen bijzondere omstandigheden als hier bedoeld kunnen ontwaren.

5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2010 ongegrond;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

ew