Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12-4364 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Appellant is door eigen schuld werkloos geworden. Weigering gegevens te verstrekken.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/10

Uitspraak

12/4364 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2012, 12/671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Voor appellant is

mr. Van Doleweerd verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 24 februari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft van 4 juli 2011 tot en met 15 juli 2011 via uitzendbureau Manpower (uitzendbureau) gewerkt bij Intertaste (inlener). Hij heeft bij e-mailbericht van 25 juli 2011 zijn klantmanager meegedeeld dat hij weer zonder werk zit en dat hij binnenkort ander werk hoopt te vinden, maar nog niets in zicht heeft. De klantmanager heeft appellant bij

e-mailbericht van 26 juli 2011 gevraagd naar de reden dat hij geen werk meer heeft. Bij

e-mailbericht van dezelfde datum heeft appellant de klantmanager geantwoord dat hij een dagje vrij had gevraagd en dat zijn baan gelijk was weggegeven, dat het uitzendbureau hem had beloofd dat hij weer aan de slag kon, maar dat hij sindsdien niets van het uitzendbureau heeft vernomen. Het gegeven dat appellant op 16 juli 2011 voor 10 augustus 2011 een reis heeft geboekt van Dortmund naar Kiev was aanleiding een onderzoek in te stellen naar de vraag of appellant door eigen schuld zijn werk heeft verloren. In dat kader heeft de klantmanager van appellant telefonisch contact opgenomen met [V.] (V) van het uitzendbureau en op 15 september 2011 een gesprek met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 20 september 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 september 2011 (besluit 1), voor zover van belang, de bijstand met ingang van 1 oktober 2011 te verlagen met 100% gedurende een maand. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door eigen schuld werkloos is geworden doordat hij zijn werk bij de inlener niet heeft behouden. Bij besluit 1 heeft het college appellant verder verzocht om uiterlijk 7 oktober 2011 een print in te leveren van de domeinnamen die op zijn naam staan geregistreerd.

1.4.

Bij besluit van 14 oktober 2011 (besluit 2) heeft het college het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort met ingang van 7 oktober 2011. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet de gegevens heeft verstrekt waar het college hem bij besluit 1 om had gevraagd. Het college biedt appellant de gelegenheid alsnog de gevraagde gegevens over te leggen tijdens een gesprek op

27 oktober 2011. Voorts heeft het college appellant meegedeeld dat appellant door alsnog zijn verplichtingen na te komen, voorkomt dat de bijstand wordt beëindigd.

1.5.

Bij besluit van 2 november 2011 (besluit 3) heeft het college de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 7 oktober 2011. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op 27 oktober 2011 weliswaar op gesprek is verschenen maar toen te kennen heeft gegeven de gevraagde informatie niet te willen verstrekken.

1.6.

Appellant heeft tegen de besluiten 1, 2 en 3 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 9 februari 2012 (bestreden besluit) voor zover van belang, heeft het college de bij besluit 1 opgelegde maatregel gehandhaafd, het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant na een verlofdag heeft verzuimd het werk te hervatten, de weken daarna nagenoeg onbereikbaar is gebleven en heeft nagelaten zelf contact op te nemen met de inlener of het uitzendbureau waardoor hij langer een beroep op bijstand heeft moeten doen. Volgens het college heeft appellant door eigen toedoen zijn werkzaamheden bij de inlener niet behouden en daarmee tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Aan de handhaving van de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzuimd om binnen de hem bij besluit 2 geboden hersteltermijn alsnog de op zijn naam geregistreerde domeinnamen te verstrekken.

2.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep was uitsluitend gericht tegen de handhaving van de maatregel en de intrekking. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

De maatregel

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat hij na een verlofdag heeft verzuimd het werk te hervatten, de weken daarna nagenoeg onbereikbaar is gebleven en heeft nagelaten zelf contact op te nemen met de inlener of het uitzendbureau en dat het college daarom de maatregel niet had mogen opleggen. Deze beroepsgrond treft doel. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het college heeft zijn standpunt uitsluitend gebaseerd op de verklaring van V. Uit de rapportage van 20 september 2011 blijkt dat V telefonisch heeft verklaard dat zij op een gegeven moment in het weekend van appellant een sms-bericht kreeg dat hij vanwege privé omstandigheden niet kon komen werken, dat appellant hierna een week onbereikbaar was, dat er daarna weer even contact was, dat zij hierna nog steeds heeft geprobeerd te bellen, ook om appellant een tweede kans te geven, maar geen gehoor kreeg.

4.4.

De verklaring van V heeft niet de betekenis die het college daaraan toekent. Van belang is in de eerste plaats dat die verklaring vrij vaag is. Zo geeft V niet exact aan wanneer zij het sms-bericht van appellant kreeg, op welke wijze zij heeft gepoogd appellant de week daarna te bereiken en wat de inhoud was van het contact dat na die week heeft plaatsgevonden. Voorts blijkt uit de rapportage van 20 september 2011 niet welke functie V bij het uitzendbureau vervulde. Daaruit blijkt evenmin op welke datum V haar verklaring heeft afgelegd. Ervan uitgaande dat de klantmanager vlak voor het gesprek met appellant op

15 september 2011 met V heeft getelefoneerd, heeft V pas na bijna twee maanden over haar contacten met appellant verklaard. Het is niet uitgesloten dat door het lange tijdsverloop de herinnering van V aan haar contacten met appellant zijn vervaagd. Vervolgens heeft het nog tot zeker 20 september 2011 geduurd voordat de klantmanager een schriftelijk verslag van het telefoongesprek met V heeft opgemaakt. De rapportage die op 20 september 2011 is gedateerd en waarin verslag van het telefoongesprek met V is gedaan is mogelijk zelfs na die datum opgesteld aangezien in die rapportage ook melding wordt gemaakt van een gesprek met appellant op 23 september 2011. Verder is van betekenis dat de verklaring van V niet door andere onderzoeksbevindingen wordt bevestigd. Appellant heeft steeds ontkend dat hij na de vrije dag een week lang niets van zich liet horen. In zijn e-mailbericht van 26 juli 2011 heeft appellant aan de klantmanager meegedeeld dat na zijn vrije dag zijn baan gelijk was weggegeven, dat het uitzendbureau hem had beloofd dat hij weer aan de slag kon, maar dat hij sindsdien niets van het uitzendbureau heeft vernomen. Blijkens de rapportage van

20 september 2011 heeft appellant op 15 september 2011 verklaard dat hij na zijn vrije dag zeker tweemaal per sms contact heeft opgenomen met V.

De intrekking

4.5.

Vaststaat dat het besluit tot opschorting in rechte onaantastbaar is geworden, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat voor intrekking van de bijstand geen grond bestaat omdat de gevraagde domeinnamen niet van belang zijn voor de verlening van bijstand. Deze beroepsgrond treft geen doel. Het oordeel van de rechtbank dat domeinnamen van belang zijn voor de verlening van bijstand is juist. Door een zakelijk gebruik van domeinnamen kunnen immers inkomsten worden gegenereerd. Voorts vertegenwoordigen domeinnamen een bepaalde waarde en kunnen zij worden verhandeld.

4.7.

Appellant heeft voorts tevergeefs aangevoerd dat het college hem niet de vraag mocht stellen welke domeinnamen hij bezit omdat dit in strijd is met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ingevolge dit artikel heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting, op de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen te ontvangen of te verstrekken. Appellant wordt door de vraag van het college welke domeinnamen op zijn naam staan geregistreerd niet belemmerd in de uitoefening van de in artikel 10 van het EVRM genoemde vrijheden. Anders dan appellant veronderstelt, staat die vraag er niet aan in de weg dat appellant zich door middel van een van zijn domeinnamen op een blog uitermate kritisch uitlaat over het regeringsbeleid, de gemeente Amersfoort of de sector Welzijn, Sociale Zekerheid en Onderwijs in het bijzonder.

Slotsom

4.8.

De rechtbank heeft wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover daarbij de maatregel is gehandhaafd. De Raad ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Omdat aan besluit 1, voor zover dat ziet op de maatregel, hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek, mede gelet op het tijdsverloop, niet kan worden hersteld, zal de Raad besluit 1 in zoverre herroepen.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 februari 2012 voor zover daarbij

de maatregel is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 30 september 2011 voor zover dat ziet op de maatregel en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 9 februari 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD