Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-3794 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de premiekosten van de afgesloten aanvullende ziektekostenverzekering en tandartsverzekering. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3794 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juni 2012, 11/1043 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Kuijpers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Op 7 december 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de premiekosten van de door haar bij Delta Lloyd afgesloten aanvullende ziektekostenverzekering en tandartsverzekering voor het jaar 2011 tot een bedrag van in totaal € 113,30 per maand (premiekosten). Bij besluit van 2 februari 2011 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2011 gegrond verklaard en aan appellante bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 26,50 per maand voor de premiekosten. Het college heeft hieraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat dit bedrag de premie is die in 2011 wordt vergoed in het kader van de collectieve aanvullende verzekering bij IZA Cura en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een overstap naar IZA Cura van haar niet kan worden gevergd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op de premiekosten over 2011, ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat de aanvullende ziektekostenverzekering bij Delta Lloyd beter is afgestemd op haar persoonlijke medische omstandigheden dan de door het college aangeboden collectieve aanvullende ziektekostenverzekering bij IZA Cura. Deze verzekering biedt geen dan wel onvoldoende dekking voor de zorg die zij nodig heeft. Dit betreft in het bijzonder de volgende voor haar noodzakelijke voorzieningen die IZA Cura niet of slechts gedeeltelijk vergoedt en die wel volledig worden vergoed door Delta Lloyd: orthopedische schoenen, hoortoestellen, bril met dubbelfocus glazen, fysiotherapie en alternatieve geneeswijzen. De overstap naar IZA Cura kan dan ook in redelijkheid niet van haar worden gevergd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB moet eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of die kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het college ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7532, behoren de premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van

artikel 35, eerste lid, van de WWB. Anders dan het college in zijn verweerschrift heeft aangenomen, volgt daaruit niet dat geen sprake zou kunnen zijn van uit individuele bijzondere omstandigheden op grond waarvan de - extra - premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering wel als noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden aangemerkt. De beoordeling of deze situatie zich in het geval van appellante voordoet, kan dan ook, anders dan het college meent, niet achterwege blijven. Vergelijk in dit verband de hiervoor genoemde uitspraak van 8 maart 2011 (rechtsoverweging 4.3.4) en ook de uitspraken van de Raad van 28 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9356, 8 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3158, en 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1121. Uit deze uitspraken volgt voorts dat het in beginsel op de weg ligt van degene die bijzondere bijstand aanvraagt voor de premiekosten van een aanvullende ziektekostenverzekering om de noodzaak van die kosten aannemelijk te maken.

4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de - extra - premiekosten als noodzakelijk zijn aan te merken. In het bijzonder heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat van haar niet kon worden gevergd om voor 2011 over te stappen naar IZA Cura. Weliswaar zou appellante in 2011 op grond van de aanvullende ziektekostenverzekering van IZA Cura de door haar genoemde prestaties niet volledig vergoed hebben gekregen, maar op grond van het door het college in 2011 gevoerde - buitenwettelijk begunstigend - beleid kon zij bijzondere bijstand aanvragen voor de meerkosten. Vergelijk in dit verband de al meermalen genoemde uitspraak van de Raad van 8 maart 2011. Dat het college de in januari 2012 ingediende aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie, voetreflextherapie en alternatieve geneeswijze heeft afgewezen op de grond dat de medische noodzaak voor die kosten ontbrak, doet er niet aan af dat appellante in 2011 de mogelijkheid had bijzondere bijstand aan te vragen voor medische kosten die niet volledig vanuit de aanvullende ziektekostenverzekering van IZA Cura werden vergoed.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

HD