Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-4911 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Meerdere periodes. Appellant heeft gewerkt in het bedrijf van zijn zus. Het collega was bevoegd de kosten van de over mei 2011 verleende bijstand van appellant terug te vorderen, maar niet de kosten van de over januari, april en juni 2011 aan hem verleende bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4911 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2012, 12/485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.A. Rijnders.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 juni 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat [naam broer], de broer van appellant die eveneens bijstand ontving (broer), werkzaamheden verrichtte, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan de broer verleende bijstand. In de verklaringen die de broer tijdens een verhoor op 2 mei 2011 heeft afgelegd over een tweetal sms-berichten betreffende vervoer van kippenvlees, heeft de sociale recherche aanleiding gezien om tevens een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben getuigen verklaringen afgelegd, zijn van 15 tot en met 18 april 2011 en van 11 tot en met 18 juli 2011 waarnemingen verricht bij het bedrijf [naam bedrijf] (bedrijf) op het adres [adres] te [plaatsnaam] en is appellant op 26 mei 2011 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapporten van 11 juli 2011,

18 juli 2011 en 21 juli 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij twee afzonderlijke besluiten van 2 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

29 december 2011 (bestreden besluit), de bijstand over januari 2011 en met ingang van

1 april 2011 in te trekken en de over januari 2011 en de periode van 1 april 2011 tot en met

30 juni 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.113,82 netto van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft in januari 2011 en vanaf april 2011 voortdurend werkzaamheden verricht voor het bedrijf, dat op naam staat van [naam zus], de zus van appellant (zus). Hij heeft in januari 2011 vlees vervoerd naar het bedrijf. Appellant heeft verklaard dat hij zich gedurende zijn uitkeringsperiode regelmatig tijdens kantooruren in de bedrijfsruimte van het bedrijf ophield, dat hij zijn zus assisteert in het bedrijf bij het leggen van contacten en dat hij zich bezighield met het werven van personeel, klanten en subsidies ten behoeve van het bedrijf. Appellant presenteerde zich in contacten met derden ook als zodanig. Verder is gebleken dat appellant werkzaamheden verrichtte voor een stichting in oprichting [naam stichting] (stichting). Er is sprake van samenhang tussen de verschillende werkzaamheden voor de stichting en voor het bedrijf. Door van zijn werkzaamheden geen melding te maken en eventuele inkomsten te verzwijgen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De omvang van de werkzaamheden was in januari 2011 en vanaf april 2011 aanzienlijk, maar is niet exact vast te stellen. Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep betwist dat hij werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zijn verklaring, die hij op 26 mei 2011 heeft afgelegd, is onvoldoende om aan te nemen dat hij regelmatig op het bedrijf verbleef. Hij is slechts eenmaal waargenomen in het bedrijf. Appellant heeft niet voor het bedrijf kippenvlees opgehaald in België. Dit kan ook niet worden aangenomen op grond van de sms-berichten op de telefoon van zijn broer van 6 januari 2011 en 16 april 2011 en de verklaring van zijn broer daarover. Tijdens het gesprek met getuige J. van Putten (P) op

11 mei 2011 kwam appellant op voor de stichting. Getuige [V.] (V) heeft veel met de zus gemaild. Tijdens een vakantie van de zus heeft V appellant enkele malen op diens mobiele telefoon gebeld. Appellant heeft V toen doorverwezen naar zijn zus en gezegd: “Wacht tot mijn zuster terugkomt”. Voorts heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van intrekking en terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft eerst ter zitting van de Raad uitvoerig betoogd dat en waarom de getuigenverklaring van P als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit betoog heeft appellant in een zodanig laat stadium van de procedure naar voren gebracht, dat het wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling zal worden gelaten. Niet valt in te zien dat appellant zijn betoog over de verklaring van P niet eerder naar voren had kunnen brengen, bijvoorbeeld in het aanvullend hoger beroepschrift dat appellant op 17 oktober 2013 heeft ingediend.

4.2.

De te beoordelen periodes lopen van 1 tot en met 31 januari 2011 en van 1 april 2011 tot en met 2 augustus 2011 (beoordelingsperiodes).

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Tijdens het verhoor op 26 mei 2011 heeft appellant, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Ik was van 15 maart 2005 tot juni 2010 eigenaar van het bedrijf [naam bedrijf 2], een halalslachterij, die was gevestigd aan de [adres 2]te[plaatsnaam]. (...)

Ik heb geen enkele rol in het bedrijf van mijn zus [naam zus], de enige rol is adviseren. Ik heb nog diverse kontakten met bedrijven waar ik vroeger zaken mee deed, ik noem dat schone klanten, dat zijn klanten die leveren en betalen. Dan help ik haar door te adviseren. Als het een klant is waar ik vroeger zaken mee deed, ga ik met haar mee als broer. Ik wijs haar er dan op binnen het overleg van denk daaraan en denk daaraan. (Opmerking verbalisant: Verdachte is dit eerder tijdens het verhoor nadrukkelijk en letterlijk voorgelezen en volhardde daarbij, hij wil nu bij het doorlezen dit deel van de verklaring wijzigen.) Ik wil dit corrigeren, mijn antwoord is: Dit voorgaande klopt niet, omdat ik niet uitgelegd heb zoals het er staat, ik bedoel ik help mijn zus omdat zij zeg maar haar klanten in de gaten moet houden, waar de sterke en zwakke punten liggen. Ik heb haar de telefoonnummers gegeven, waarmee ze als ze wil verder zaken kan doen. Ik heb sinds 14 juni 2010 geen contacten met klanten meer en ben ook nooit meer met haar mee geweest. U heeft de vorige alinea verkeerd begrepen. (...)

Nu we er over doorpraten wat ik hiervoor verklaard heb over adviseren, daar bedoel ik mee dat ik persoonlijk [P] heb gebeld, dat hij in contact komt met mijn zus [naam zus], zodat zij in aanraking komt met werknemers die in de bijstand zitten.(...)

Sinds de uitkeringsperiode van 14 juni 2010 ben ik geregeld op de[adres]) te [plaatsnaam] geweest. Ik kom daar voor mijn zus, en zit dan in de kantine voor ontspanning en theedrinken. Ik ben op dit moment werkloos en puur bezig met mijn problemen, ik ga nergens anders naartoe. Of ik ben bij mijn ouders of ik ben bij de instelling om problemen op te lossen, of bij mijn familie, of bij mijn zus op het bedrijf. Het zal de ene keer één keer in de week zijn, de andere keer twee keer in de week, het kan ook wel één keer in de maand zijn. (...)

Ik ben nooit naar België geweest om vlees te halen. (...)

De bedoeling is om mensen te helpen aan werk en school, dat is de bedoeling van de stichting, die feitelijk nog niet bestaat. Mijn idee is om enkele probleemjongeren van de harde kern uit [plaatsnaam] op die manier met een of andere subsidie ook aan het werk te krijgen bij het bedrijf van mijn zus.”

4.5.

Deze verklaring is ontoereikend om te kunnen concluderen dat de aanwezigheid van appellant op het bedrijf van dien aard was dat in lijn met vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 oktober 2010, LJN BO1327) de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat hij in de beoordelingsperiodes ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat appellant tijdens de waarnemingen in april 2011 en in juli 2011 slechts eenmaal op het bedrijf is aangetroffen, te weten op 18 juli 2011.

4.6.

Het sms-bericht van 6 januari 2011 op de telefoon van de broer luidt als volgt: “Oke meschien ik of [H.] naar belgie.” De broer heeft tijdens zijn verhoor op 2 mei 2011 over dit bericht verklaard: “Dan zou of hij of ik naar België gaan om borstkappen te halen. Uiteindelijk is [H.] gegaan, dat zal dus die dag of kort daarna zijn geweest.” Het sms-bericht van 16 april 2011 luidt als volgt: “We hebben niet genoeg thuis voor inkoop maandag. Kijk of [A.] weer wat kan sturen we krijgen sowieso 700 van [A.] we komen 2000 te kort. Als [H.] vroeg vertrekt. [K.] heeft groot bedrag daarom.” Over dit sms-bericht heeft de broer op 2 mei 2011 verklaard: “Mehmet [K.] is een grote kipfiletafnemer, een winkel in [vestigingsplaats]. We hadden 700 borstkappen tekort. [A.] wilde [naam zus] niet volledig betalen. [H.] moest in België bij [C.] of[B.] deze 1300 borstkappen gaan halen. Hij heeft dat met de witte Mercedes koelbus gehaald en naar de [adres 2] gebracht. Daar zijn ze verwerkt tot kipfilets. Dat is op maandag 18 april 2011 geweest dat hij die borstkappen in België heeft gehaald.”

4.7.

Weliswaar wordt in deze sms-berichten en verklaringen van de broer gesproken over ‘[H.]’ en draagt appellant deze voornaam, maar dit is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat het appellant is geweest die omstreeks 6 januari 2011 en op 16 april 2011 kippenvlees van België naar Nederland heeft vervoerd.

4.8.1.

Vaststaat dat appellant op het bedrijf op 11 mei 2011 een gesprek heeft gevoerd met P en op 23 mei 2011 met V.

4.8.2.

P heeft verklaard dat het gesprek op 11 mei 2011 plaatsvond op verzoek van appellant, omdat appellant bezig was personeel te werven voor het bedrijf. Voorts heeft P verklaard: “[H.] verklaarde tegen mij dat hij bezig is contacten te leggen voor het bedrijf, hij heeft een netwerk en zoekt ‘schone’ klanten, daar bedoelde hij mee klanten die betalen, te goeder trouw zijn. Zo probeert hij de zaak te gaan draaien. (...) [H.] zoekt medewerkers voor het bezorgen van vlees in heel Nederland, bij cateringbedrijven en vlees groothandel bedrijven. Hij zoekt twee mensen die gaan fileren en een voor de huidaftrek van de kippen. (...) Het gesprek is verder gegaan met de werving/selectie waarin ik een rol zou kunnen spelen namens de sociale dienst van de gemeente [plaatsnaam].”

4.8.3.

V heeft verklaard dat zij in de week vóór 23 mei 2011 telefonisch was benaderd door appellant. V heeft voorts verklaard dat appellant gedurende het gehele gesprek, waarbij zijn zus ook aanwezig was, het woord heeft gevoerd, dat V vervolgens een aantal keren telefonisch contact heeft gehad met appellant, dat de zus op 7 juli 2011 op vakantie is gegaan, dat V appellant op die datum nog telefonisch heeft gesproken, dat haar collega op 19 juli 2011 contact met appellant heeft gehad en dat dit ging over contracten van twee mensen die bij hen na een proefplaatsing van twee weken een jaarcontract zouden gaan krijgen. Verder heeft V onder meer verklaard dat zij sinds mei 2011 tot en met 7 juli 2011 een keer of zes telefonisch contact heeft gehad met appellant en haar collega een keer of drie en dat appellant haar vraag of hij nog op vakantie ging ontkennend heeft beantwoord, omdat hij veel te druk was, aangezien hij “naast de werkzaamheden voor zijn zus ook nog een stichting had”.

4.8.4.

De sociale recherche heeft appellant en zijn broer op 18 juli 2011 aangetroffen in het kantoor van het bedrijf.

4.9.

De verklaringen van P en V, in onderlinge samenhang bezien met de aanwezigheid van appellant in het kantoor van het bedrijf op 18 juli 2011, toen zijn zus op vakantie was, bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in mei 2011 en van begin juli 2011 tot en met 2 augustus 2011 personeelswerk voor het bedrijf heeft verricht. Dat appellant zich op 18 juli 2011 uitsluitend in het kantoor van het bedrijf bevond om voor privézaken gebruik te maken van de aldaar aanwezige computer, omdat hij thuis geen computer had, acht de Raad in het licht van de verklaringen van P en V niet geloofwaardig.

4.10.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het college verklaard dat de conclusie dat appellant in de maand juni 2011 werkzaamheden voor het bedrijf heeft verricht uitsluitend is gebaseerd op de verklaring die appellant heeft afgelegd tijdens het verhoor op

26 mei 2011. Zoals volgt uit 4.5, biedt deze verklaring echter onvoldoende feitelijke grondslag voor die conclusie.

4.11.

Uit 4.5 tot en met 4.10 volgt dat de onderzoeksbevindingen uitsluitend voor de maand mei 2011 en voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 2 augustus 2011 voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf. Aangezien appellant geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden in die periodes, heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het geval hij wel aan deze verplichting zou hebben voldaan, hij recht op bijstand over deze periodes zou hebben gehad. Gelet hierop kan het recht op bijstand in bedoelde periodes niet worden vastgesteld.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de maand mei 2011 en vanaf

1 juli 2011 in te trekken. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van bijstand heeft kunnen besluiten.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de maanden januari, april en juni 2011, niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het college de bijstand van appellant over de maanden januari, april en juni 2011 heeft ingetrokken en voor zover het de - ondeelbare - terugvordering betreft in zijn geheel.

4.14.

De Raad ziet voorts aanleiding om het intrekkingsbesluit van 2 augustus 2011 te herroepen ten aanzien van de intrekking over de maanden januari, april en juni 2011 en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, nu niet aannemelijk is dat het college het gebrek nog kan herstellen.

4.15.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over mei 2011 verleende bijstand van appellant terug te vorderen, maar niet de kosten van de over januari, april en juni 2011 aan hem verleende bijstand. Het college hanteert ten aanzien van de uitoefening van zijn bevoegdheid tot terugvordering beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels Wet werk en bijstand gemeente Wageningen (Beleidsregels). In punt 4.1.1, onder 6, van de Beleidsregels is bepaald dat het college afziet van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in zijn geval sprake is.

4.16.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de maand mei 2011. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - finale geschilbeslechting.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 december 2011 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de maanden januari, april en juni 2011 en op de terugvordering;

  • -

    herroept het intrekkingsbesluit van 2 augustus 2011 ten aanzien van de intrekking over de maanden januari, april en juni 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 29 december 2011;

  • -

    draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen over de terugvordering;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

sg